Preek van 06 september 2015

23e zondag door het jaar 


In het evangelieverhaal dat we vandaag overwegen is de plaatsaanduiding niet zomaar een geografisch versiersel om het voor de lezer of toehoorder wat bekender te maken. Jezus vertrekt uit de streek van Tyrus en Sidon en zakt af naar Galilea, naar het Tienstedengebied, de streek waar Hij als kind geleefd heeft. 

Galilea, het verloren gegane deel van Davids koninkrijk. Wanneer Jezus in zijn eigen streek als profeet niet aanvaard wordt en tegenover het uitverkoren volk staat dat doof blijft voor zijn woorden en zich sluit voor zijn boodschap, kiest Hij welbewust voor het land van de heidenen. Hij gaat op zoek naar al wie verloren is en gaat zich ontfermen over de oren en de tong van de mensen. 
Zintuigen die tot op vandaag nog altijd belangrijker zijn dan de ogen. Daar komt de menigte in beweging. 

‘Men’ brengt, – dat is de menigte, de massa – men brengt iemand bij Jezus die een doofstomme blijkt te zijn. Iemand die verloren loopt in de menigte. Iemand wellicht, die niet wil opvallen, die zich verbergt omdat hij zich uitgesloten voelt. Zoals de menigte die hem tot bij Jezus brengt, zo blijft ook deze mens naamloos. Hij is een ‘iemand’, hij kan ook evengoed ‘iedereen’ zijn. Iemand zoals ik en jij. Echter, wanneer een menigte, een massa mensen oog krijgt voor een zwak mens, voor déze mens die zwak en doof is, die moeilijk spreekt, die geen plaats heeft, zich niet kan uiten en niet meer kan ontvangen, wanneer een groep mensen oogt krijgt voor zo iemand, dan wordt deze naamloze menigte een gemeenschap. Dan komen mensen in beweging, nemen mensen iemand op en brengen hem naar Jezus en vragen Hem om een handoplegging. Een volledige heling. Ze vragen dat hij heel mag worden, dat hij helemaal open gaat en spreken kan. En Jezus neemt hem uit de menigte apart. Letterlijk staat er: ‘Hij neemt hem uit de menigte in zijn eigenheid’. De menigte heeft hem gebracht, Maar Jezus neemt hem uit die menigte, uit het algemene en het anonieme, Hij neemt hem uit het ‘men’, apart, in zijn eigenheid. 

Dan volgt er iets ongewoons. Ditmaal geneest Jezus de verloren mens niet met een gezagswoord maar raakt Hij hem aan en gaat heel ver in dit lichamelijke contact. Hij heelt hem van alle onvolkomenheden van lichaam en ziel, van alles wat van de geboorte af beschadigd is. 

En toch is dit niet het meest fundamentele van het verhaal. Het is op zich reeds een heel groot wonder, wanneer een menigte in beweging komt voor een zwak en verloren mens. Wanneer Jezus een mens apart neem en hem in zijn uniciteit plaatst. Wanneer Hij hem aanraakt en hem daarmee bijzonder maakt. 
Dat is op zich al een groot wonder. Maar het verhaal gaat verder: “Jezus keek naar de hemel, zuchtte en zei: Effeta.”. Het wonder eindigt niet bij Jezus. Jezus plaatst zichzelf juist úit het centrum en trekt zich als het ware terug uit het midden. Hij richt zijn ogen naar de hemel, naar de Onuitsprekelijke, naar de Ene. 
Naar Hem die oorsprong is en leeft boven ons en boven al wat leeft en ademhaalt. Jezus zucht, staat er. Van onmacht? Van verlangen? 

Hoe dan ook, biddend En Jezus spreekt vervolgens een onverstaanbaar woord uit: “Effeta – ga open”. Daarmee trekt Jezus zich uit het centrum weg om het werk te laten toe te vertrouwen aan de Hemel. Aan de Oneindige die zich verheft boven ons vermogen en ons besef. In volkomen deemoed zucht, bidt en smeekt Hij, Dat het wonder gebeuren mag aan deze unieke mens. Dat hij opengaat. Wat geen mens kan, waartoe geen therapeut in staat is, dat kan de Hemel. Het is vanuit die kracht dat ‘onmiddellijk zijn oren open gingen en zijn tong los kwam.’ En daarmee wordt in Jezus het aloude Messiaanse visioen van de profeten waar dat we in de eerste lezing uit de mond van Jesaja hoorden: “Vrees niet! Zie, jullie God! Hij brengt genoegdoening mee, goddelijke daad. God zélf komt en bevrijdt jullie. De oren van de dove gaan open, De tong van de stomme juicht” (cf. Jes 35,1-7). En tegelijk geneest Jezus, maakt Hij ook al die anonieme mensen heel. Die menigte die in beweging kwam voor de nood van iemand uit de massa. Het zijn de mensen die de hulpkreet van een ander horen en woorden spreken van mededogen, compassie, barmhartigheid. Mensen dus die niet doof zijn voor Jezus’ boodschap en niet blind voor zijn leven. 

Jezus raakt deze mens aan omdat deze mens aanraakbaar was. Dat betekent, die mens was kwetsbaar tegenover God en tegenover de menigte. Jezus raakte niet gelijk wie aan in het evangelie, Maar enkel welbepaalde groepen van mensen: Vooreerst de kinderen, dan de zieken en de mensen met beperkingen. 
Uiteindelijk raakte hij de zondaars, want voor deze was Hij immers gekomen. Zo raakt Jezus ook elke dag nog ieder van ons aan, waar Hij ons tegenkomt. Voor wie zich door Hem laat raken, wordt de wereld een hemel op aarde. Jezus raakt ook mij aan in het werk dat mij te doen staat, in de broeders die mij opnemen en aanvaarden, in een trouwe vriend die de hand op mijn schouder legt, in hem of haar die me zonder veel woorden kan troosten of op weg zetten. In ieder klein vreugdemoment is Hij het die mij aanraakt. Maar ook nog, en wellicht zelfs sterker nog, daar waar ik pijn heb en mijn lijden alleen moet dragen. Hij legt de handen op aan wie zoekt, aan alle leven dat zich een weg baant. Hij is te midden van elke liefde die al tastend naar gebaren zoekt om zich uit te drukken. 

En Jezus zegt tot ieder van ons: ‘Effeta – ga open’. Ooit nam Jezus ons bij het doopsel ‘uit de menigte weg in onze eigenheid’ en werden onze zintuigen aangeraakt en gezalfd met zijn Geest. Wij werden toen een hoorder én getuige van Gods Woord. We werden een mens met oren die luisteren en met een hart dat de ander in ons toelaat. We kregen ogen die het geluk én het leed om ons heen zien, en een mond die met weinig woorden heel veel zegt. Op dat moment zijn we Jezus’ weg gegaan en werden we doordrongen van Gods diepste verlangen dat Hij in ieder van ons heeft gelegd: beminnen en je laten beminnen. Ons laten raken door zijn liefde en open gaan om die liefde uit te dragen. 

Eerste lezing: Jes. 35,4-7a; tweede lezing: Jak. 2,1-5; evangelie: Marc. 7,31-37. 
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978: 
Weer uit de streek van Tyrus vertrokken, begaf Hij zich over Sidon naar het meer van Galilea, midden in de streek van Dekapolis. Men bracht een dove bij Hem, die ook moeilijk kon spreken en smeekte Hem dat Hij deze de hand zou opleggen. Jezus nam hem terzijde buiten de kring van het volk, stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan. Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel op, zuchtte en sprak tot hem: ‘Effeta’, wat betekent: Ga open. Terstond gingen zijn oren open en werd de band van zijn tong losgemaakt, zodat hij normaal sprak. Hij verbood hun het aan iemand te zeggen; maar met hoe meer nadruk Hij dat verbood, des te luider verkondigden zij het. Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit: ‘Hij heeft alles wel gedaan, Hij laat doven horen en stommen spreken.’

 

deel dit artikel


Meer interessante pagina's