Preek van 09 oktober 2016

28e zondag door het jaar C 

‘Danken is eventjes gelukkig zijn om kleine en grote dingen, om wat mensen voor elkaar kunnen betekenen, om het diepe mysterie van het onuitsprekelijke goede in het leven.’

Dat was het thema van een jeugdviering in de tijd dat er enkel nog maar ouderwetse langspeelplaatsen bestonden. ‘Danken is eventjes gelukkig zijn’, het was ook de titel die op de hoes stond. 

Een mooie gedachte die ik reeds meer dan dertig jaar vasthoud omdat ze met enkele woorden laat aanvoelen hoe mensen zich tegenover elkaar kunnen verhouden. Het is bovendien de houding waarmee we in ons leven tegenover God staan. Dankbaar zijn is dan veel meer dan telkens opnieuw en bijna als een automatische piloot ‘dank u’ zeggen. Het heeft te maken met ‘denken aan’ en met ‘gedenken’. Misschien ook met ‘tonen’, ‘laten zien’ of ‘laten aanvoelen’ dat men aan iemand denkt. Dat men zich iets van een ander in herinnering bewaart en daarvoor op het gepaste ogenblik een voelbare blijk geeft. En dat heeft alles te maken met de wijze waarop men in het leven staat. 

Met het evangelieverhaal van zojuist in het achterhoofd herinner ik me dat mijn mooiste momenten in het gastenhuis deze waren waarop jonge studenten na twee dagen bezinning net vóór de terugreis nog even terug binnenwipten en wat onbehouwen zeiden; “Ik wou nog even een hand geven.” Die enkele jonge mensen kan ik me nog heel exact herinneren omdat ik hun belangeloosheid en hun authenticiteit heb gevoeld. Ik zat er niet op te wachten, het hoefde zelfs niet. Toch kreeg door dit ontiegelijk klein gebaar Ons leven als monnik een belangrijke meerwaarde. 

Al te gemakkelijk begrijpen wij het evangelieverhaal van deze zondag als een illustratie van de bekende zegswijze: ‘Dankbaarheid is een bloem die in weinig tuinen bloeit’. Omdat wij daarmee schromelijk tekort doen aan de bedoeling van Lucas is het aangewezen om enkel te lezen wat er staat. Net als wij wekelijks bij het begin van de eucharistie bidden vragen tien melaatsen aan Jezus op diens weg naar Jeruzalem: “Jezus, Meester, ontferm U over ons. Luidkeels smeken ze dat Jezus zich over hen zou ontfermen Zoals een moeder zich over een hulpeloos kind ontfermt. Zoals een zuster zich in het ziekenhuis over een radeloze zieke ontfermt. Zoals de ‘witte helmen’ zich bij elk bombardement in Aleppo over de slachtoffers ontfermen in plaats van te schuilen. Deze tien mensen roepen Jezus om ontferming, genade, barmhartigheid. Niet eens om genezing. Het is een hartenkreet: loop niet aan ons voorbij. Ze noemen Jezus daarbij uitdrukkelijk bij zijn naam. 

Een merkwaardig detail want Jezus wordt in de vier evangelies slechts acht keer bij naam aangesproken, waarvan vijfmaal bij Lukas. Zo is er bij Lukas dat bijzonder ontroerende verhaal van de moordenaar die naast Jezus gekruisigd is. Hij spreekt Jezus aan alsof Deze een oude bekende is en hij vraagt: ‘Jezus denk aan mij, wanneer Gij in uw koninkrijk komt’ (Lc 23,43), waarop Jezus antwoordt: ‘Ik beloof u: vandaag nog zult gij bij Mij zijn.’ Die vraag is een beroemd Taizé-lied geworden: ‘Jesus, remember me, when You come into your kingdom’. Elke keer opnieuw zijn het mensen die uitgestoten zijn die Jezus bij zijn naam noemen en Hem om ontferming vragen. En melaatsen waren bij uitstek het sterkst uitgesloten en ze zouden dit zelfs blijven tot in de vorige eeuw. 

Volgens de joodse reinigingswetten (Lv 13 – 14) waren ze daarmee ook voor God onrein. Ze moesten op verre afstand blijven en met een ratel laten horen waar ze zich ophielden. Jezus jaagt hen niet weg maar stuurt hen volgens de voorschriften naar de priesters in de tempel. Wat Jezus doet is ogenschijnlijk niet veel. Een klein zinnetje maar, drie woorden: ‘Hij zag hen’. Hij gaat niet met een boog om hen heen, Hij zet zijn afkeer opzij. En vervolgens zegt Hij enkel wat de Wet hen voorschrijft. Onderweg stellen ze vast dat ze genezen zijn. Wie van hen naar de tempel is gegaan, vernemen we niet. We weten enkel dat er slechts één – en dat was notabene een vreemdeling – op zijn passen is teruggekomen om God eer te brengen. 

In het Bijbelse spraakgebruik staat één voor het minimale, tien voor de totaliteit. Dat betekent dat Jezus voor allen is gekomen en er slechts één is die daaraan denkt. Die geraakt is in zijn besef van hulpbehoevendheid, van onmacht en van het aangewezen zijn op anderen. Dat doet deze Samaritaan: hij vindt de weg terug naar zijn weldoener omdat hij de dieper betekenis van zijn genezing verstaat. En – wat meer is en nog verder reikt – hij vindt de weg terug naar God. Is Jezus aanvankelijk verbaasd, wellicht ook ontgoocheld, Hij wordt door deze onverwachte terugkomst van die ene vreemdeling danig ontroerd dat Hij hem uitnodigt op te staan en te gaan. 

Om het grensgebied tussen Galilea en Samaria te verlaten en met Hem mee te trekken als een volgeling, een leerling op zijn tocht naar Jeruzalem. Andermaal wordt in dit evangelie een vreemdeling tot voorbeeld gesteld. Geloof, vertrouwen, gerechtigheid, dankbaarheid komen dikwijls uit onverwachte hoek. Eerder reeds heeft Jezus in de Geest uitgejubeld dat ‘… zijn Vader deze dingen verborgen houdt voor wijzen en verstandigen en ze openbaart aan de kleinen’(Lc 10,21). Die zien en geloven wat Jezus doet en naar Wie Hij telkens verwijst. Hun spontane dankbaarheid is daarmee een vooráfschaduw naar de Oorsprong van alle goeds. Dat is de zin van al Jezus’ daden: ‘Dat de mensen de goede werken zien en hun Vader verheerlijken die in de hemel is’ (Mt 5,16). Onderweg door ons leven staan we maar weinig tot zelden stil Dat er zoveel is dat ons gegeven wordt. 

Toon Hermans gaf op het einde van een van zijn shows deze bekend geworden boodschap mee aan de mensen in de schouwburg die een mooie illustratie is van de diepere betekenis van het evangelieverhaal: 

Ik wou u iets vragen, beste mensen, 
heeft u wel eens een dag 
dat u 's morgens uit uw huis komt als de dag begint 
en dat het tot je doordringt - helemaal toevallig- 
dat je een nieuwe dag kunt gaan leven... 
heeft u dat wel eens? 
[…] 
ik heb wel eens een moment, dan kijk ik naar mijn eigen handen, 
en dan zie ik, heel bewust dat ze bewegen... 
en ze worden niet elektrisch aangedreven - en dat is het wonder - 
en als je dat ziet, dat moment, daar moet je van profiteren, 
dan moet je zeggen: 
dank u wel... dat ik kan bewegen, dat ik kan lopen 
dat ik kan gaan en staan waar ik wil, vrij... 
dank u wel... dat ik kan zien 
dat ik kan horen 
dat ik kan spreken en lachen... en zingen. 

1e lezing: 2 Koningen 5,14-17; 2e lezing: 2 Tim. 2,8-13; evangelie: Lucas 17, 11-19 
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978: 
Op zijn reis naar Jeruzalem trok Hij door het grensgebied van Samaria en Galilea. Toen Hij een dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatsen tegemoet; zij bleven op een grote afstand staan en riepen luidkeels: ‘Jezus, Meester, ontferm U over ons!’ Hij zag hen en sprak: ‘Gaat u laten zien aan de priesters.’ En onderweg werden ze gereinigd. Een van hen keerde terug, toen hij zag dat hij genezen was, en verheerlijkte God met luider stem. 

Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus’ voeten neer, en deze man was een Samaritaan. Hierop vroeg Jezus: ‘Zijn niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen? Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen dan alleen deze vreemdeling? En Hij sprak tot hem: ‘Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered. ’

 

deel dit artikel


Meer interessante pagina's