Preek van 12 februari 2017

6e zondag door het jaar

Broeders en zusters, gisterenmorgen stond ik voor zo’n houten bord waarop verkiezing posters geplakt kunnen worden. Gebroederlijk of gezusterlijk hingen het CDA, VVD, Groen Links, Christen Unie en D66 naast elkaar. De Engelstalige gast die ik bij me had, probeerde ik enigszins duidelijk te maken wat de verschillen waren. Ik moet u eerlijk zeggen ik kon het niet. Ik probeer de politiek redelijk te volgen, maar het lukte me niet om iets persoonlijk over elke partij toe te lichten. Tegelijk constateerde ik bij mezelf, dat ik tot op dit moment bij de 70% zwevende kiezers hoor. Hoe ik ook mijn best probeerde te doen: ik kon het verschil eigenlijk niet benoemen tussen wat ik weet van de verschillende programma’s. Tegelijk borrelde er in mij op: er is zo’n behoefte aan coherentie, aan medemenselijkheid. De meeste Nederlanders lieten bij een enquête horen dat respect en verbinding de meest belangrijke zaken zijn binnen het intermenselijke contact end at het juist zo wordt gemist. Men voegt er aan toe: er wordt voortdurend met rotte vis gegooid. Begrijpt u mijn verwarring? Gemaakte wetten worden tot op het hoogste niveau overtreden en de rechter moet eraan te pas komen om de geldigheid te borgen. Ik ga niet klagen en ach en wee roepen. Ik weiger in een slachtofferrol te worden geduwd. Ik laat me geen verleidelijk stemadvies aanpraten. Dat kunnen we best zelf bedenken. We laten ons niet een beeld aanpraten van de boze witte man. Hij bestaat niet. Het is geen schepsel van God maar voortgekomen uit de krochten van de menselijke geest en dat wordt het een karikatuur en haast demon die niet bestaat.

Deze morgen vinden we, denk ik, juist duidelijkheid over waar het wel om zou moeten gaan. Niet in maar zelfs over de politiek, omdat Gods schepping geweld wordt aangedaan. De prachtige eerste en tweede lezing verhalen over de wijsheid van God, zijn bedoeling met de mensheid en de vrijheid die God de mens daarbij laat. Ik zou willen dat een aantal opinieleiders zich dat eens ter harte zouden willen nemen. God heeft, ik noem het nog een keer, in elk mens de vrijheid en de kracht geschapen. Het zit in elk mens, soms openlijk, soms verscholen, maar het is er. Als we daar nu eens mee aan de slag zouden willen gaan. Als we dat nu eens proberen te mobiliseren en afstappen van de idee dat de gemiddelde mens niet tot zelfstandig denken in staat is. Wij zijn in staat verantwoordelijkheid te dragen en te nemen. Dat heeft God in ons gelegd. Vanuit die kracht mogen we leven.

Wij, mensen, denken alles te kunnen vangen in wetten en protocollen en denken daarmee de samenleving beter onder controle te krijgen. Maar wordt het beter? Laten we het voetbal eens nemen. We hebben regels nodig bij het voetbal, maar er moet wel gevoetbald worden. Zo moet er ook geleefd worden en daar schort het gewoon aan. Er wordt niet geleefd, maar men wil ons laten leven. En wat voor leven dan wel?

Als er nu opeens twee miljard toegezegd kan worden aan de ouderenzorg, dan laat het zich raden hoe de oudere mens wordt geleefd en niet mag leven zoals God het heeft bedoeld. In de evangelielezing krijgen we een prachtig stukje evenwichtige staatsinrichting voorgeschoteld.

We kunnen toe met tien wetten die de draagkracht van een wet niet hebben. Het zijn 10 levenswoorden die de richting aangegeven. Zo is het ook bedoeld in het Oude Testament. We noemen het wel de Wet. Maar dat is het niet. De Thora mag gezien worden al een stok die we voor ons uitgooien en dan de richting aangeeft. God is als het ware die stok en de mens gooit met wel het commitment om die richting van die stok van Tien Woorden op te gaan. Dat geeft de regie weer terug aan de mens zoals we dat in de eerste en tweede lezing hebben meegekregen. God laat de mens vrijheid, wat niet wil zeggen dat we dan opeens in vrijblijvendheid terecht komen, maar wel in vrije ruimte waarin de mens tot zijn recht komt en dat is wat God wil in zijn relatie met mensen. Wij moeten niet aan de buitenkant van die wet blijven staan. We moeten op die richtinggevende stok van de 10 woorden gaan staan. Wij worden geen goede mensen door zondag naar de mis te gaan. Echt geloof vraagt meer van ons.

We zullen niet doden is zo’n woord. Moord is te krap beschreven. Doodzwijgen of iemand als lucht beschouwen, doen of ze niet bestaan is zeker zo heftig. En de werkelijkheid leert ons dat het schering en inslag is. Wij christenen moeten doorstoten naar de hart van de wet; die tien liefdeswoorden, het is het enige wat altijd weer overleeft. Ik zal je niet slaan, maar ook niet strelen is iemand de woestijn in plaatsen. Ik zal je nooit bijten, maar ik zal je ook niet kussen, wat onthouden we dan werkelijk iemand. Ik zal je niet overweldigen, maar ook niet met je spelen is toch iemand dood verklaren. Ik zal je niet doden, maar je ook niet laten leven maar doen creperen, wat is erger. Dat is iemand bewust laten doodbloeden. Onverschilligheid brengt meer mensen om dan haat. Bij heftige ruzies wordt er nog gecommuniceerd ook als is het schreeuwend. Mensen die elkaar ijskoud laten, leiden een doods en bevroren bestaan. Nergens wordt er zoveel eenzaamheid geleden dan waar mensen samen onder één dak leven, omdat die mensen elkaar niets meer te vertellen willen hebben. We moeten terug naar het spel van God met de mensen. In die richting komt die stok altijd te liggen ook al proberen wij hem met onze voet te verschuiven. Weten we nog wie we zijn? Verwonderen we ons nog over het feit dat we bestaan? Wie ben ik dat ik dit leven mag leiden, ik, mens door God uitverkoren. Ik mag in Gods naam mensen, soms een levenslang in liefde vasthouden.

Wij komen uit Gods hand, wij zijn uit Hem geboren. Genetisch stammen we eigenlijk van Hem af vanuit de levensadem die Hij begon bij Adam in te blazen en die door gaat. Jezus zegt het net iets anders. Wij komen van God en zouden als God moeten zijn. In onze omgang met de ander, in ons recht, in onze begeerten, in onze handel en wandel, in al die Tien Woorden dienen we dus als God te zijn. Dus elkaar niet de dood aan zeggen, elkaar als lustobject beschouwen, elkaars goederen begeren. Is het een utopie, een onhaalbare werkelijkheid. De partij die dit werkelijk voor zou staan krijgt gelijk mijn stem. Het is mogelijk. Doe ik het beter, ben ik zelf dan het voorbeeld. Nee, broeders en zusters, ik sta helemaal aan uw kant en ben geen haar beter. Maar ik zou met u wel weer die tien liefdeswoorden stok, die door Jezus is teruggebracht tot twee woorden: God, onze leven-schepper en onvoorwaardelijke liefde beminnen en daaraan gelijk de ander beminnen, liefhebben als jezelf, vooruit willen gooien. Dat moet te doen zijn. het is de enige zinvolle geloofsdaad als antwoord op alle mallotigheid die de wereld nu laat zien. We kunnen dat samen, daar hebben we geen partijprogramma met vage beloften voor nodig.

1e lezing: Sirach 15,15-20; 2e lezing: 1Kor. 2,6-10; evangelie: Matteüs 7,17-37
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen. Want voorwaar, ik zeg u: Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan, dan dat een jota of haaltje vergaat uit de Wet, voordat alles geschied is. Wie dus een van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen, maar wie ze onderhoudt en leert zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen. Ik zeg u: Als uw gerechtigheid die van de Schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen. Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd: Gij zult niet doden. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar Ik zeg u: Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin, en wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel. Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden. Haast u het eens te worden met uw tegenpartij, zolang ge nog met hem onderweg zijt; anders zou uw tegenpartij u wel eens aan de rechter kunnen overleveren, en de rechter u aan de gerechtsdienaar, en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen. Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge tot de laatste penning hebt betaald. Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult geen echtbreuk plegen. Maar Ik zeg u: Al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd. Indien uw rechteroog u aanstoot geeft, ruk het uit en werp het van u weg; want het is beter voor u, dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen. En als uw rechterhand u aanstoot geeft, hak ze af en werp ze van u weg, want het is beter voor u, dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel terecht komt. Ook is er gezegd: Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief geven. Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot, behalve in geval van ontucht, brengt haar ertoe echtbreekster te worden; en wie een verstoten vrouw huwt, begaat echtbreuk. Eveneens hebt gij gehoord, dat tot onze voorouders gezegd is: Gij zult geen valse eed doen, maar gij zult voor de Heer uw eden houden. Maar Ik zeg u in het geheel niet te zweren; noch bij de hemel, want dat is de troon van God; noch bij de aarde, want dat is zijn voetbank; noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning. Ook bij uw hoofd moet gij niet zweren, want gij kunt niet een haar wit of zwart maken. Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen; en wat daar nog bij komt, is uit den boze.

deel dit artikel


Meer interessante pagina's