Preek van 13 augustus 2017

19e zondag door het jaar

Geloven doen we niet zomaar broeders en zusters. Er komt veel bij kijken. Soms heb ik het gevoel dat ik me te pletter geloof en dat ik geen steek verder kom. U weet dat we een aantal keren per dag bijeenkomen voor gebed en dat er ook momenten zijn voor meditaties. Soms geeft het een gevoel of je bij de dokter in de wachtkamer zit. Het spreekuur loopt uit en uiteindelijk krijg je te horen dat de dokter is weggeroepen voor een spoedgeval. Ik was er zo hoopvol om van mijn pijn te worden verlost. Zo voelt het regelmatig in mijn geloof. Ik ben er en wacht, maar echt contact krijg ik niet. Zou de grote God die toch alles kan en ook alles tegelijk kan geen tijd voor me hebben? Maar het is nooit een reden geweest om af te haken. Ik wacht en mijn geduld wordt op de proef gesteld maar ik ga steeds weer terug naar de plaats waar ik denk Hem te kunnen vinden.
Deze woorden deel ik met u, omdat ik me zo herken in Petrus. Het is me net iets te makkelijk om te zeggen: hij zakt in het water omdat hij zijn vertrouwen verliest en er niet meer in gelooft dat het kan. En Jezus pepert dat hem nog eens in. Het is ook een horrorverhaal. Het is het einde van de nacht. Je bent afgepeigerd en het stormt hevig. Het is een kale versie van de film Titanic. Je wilt blijven geloven en het schip zinkt toch. Tegen beter weten in speelt het orkest om iedereen in de waan te laten dat er niets aan de hand is. En dan komt er een schim over het water.

Het moet een fata morgana zijn, een luchtspiegeling vol hoop maar is het werkelijkheid? Het lijkt voor de hand te liggen dat het een spookverschijning is en dat is begrijpelijk. Er spookt wat af in onszelf. Dat zijn geen witte schimmen. Maar ons hoofd vult zich vaak met spookbeelden over wat eigenlijk? Veelal zijn het niet reële angstgedachten, waar we over tobben, die ons uit de slaap hallen en die we laten groeien tot enorme proporties. Angst blijft meestal het langst in ons rondspoken. Om het makkelijk te maken noem ik er een paar: faalangst, bindingsangst, verlatingsangst en zo kan ik een waslijst vullen.

Maar komt die angst ook niet op in ons gelovig verstaan? Is mijn geloof wel echt? Bestaat God eigenlijk wel, ik heb Hem al zo vaak gesmeekt om een teken en is zie of hoor maar niets. Vindt Hij mij dan niet belangrijk en de ander wel. Ikzelf wil dan nog wel eens grootmoedig reageren: “ach de ander zal het wel meer nodig hebben”, maar die grootmoedigheid wordt dan gelijk onderuit gehaald door angst. Ziet Hij me dan niet? Ben ik niet belangrijk? En dan weer terug bij af: bestaat Hij wel. Het spookt maar door.
Maar zien en horen we het wel. herhaal maar weer eens. Aan dit angstige verhaal gaat een psalm 23-moment aan vooraf: de parel van de psalmen die kan wedijveren met de nummer 1 heen uit de toptien van de Nederlandse crematoria: ‘waarheen is de weg die we moeten gaan?’
Nee, in het voorafgaande verhaal is God er wel terdege, ‘Hij leidt mij naar grazige weiden van rust en maaltijd wordt aangericht’. Waarom zakt dat bij ons toch zo snel naar de achtergrond, terwijl wij al een flits iets te zien krijgen van dat hemelse koninkrijk waar we voortdurend voor Gods aanschijn mogen leven. Wat is dat in ons Nederlanders die zo’n beetje het gelukkigste volkje ter wereld lijken te zijn, maar veelal gebaseerd op klagen?

Over dat over het water lopen is veel te zeggen. Die gelukkige Nederlanders zijn, misschien wel juist door het geluk, cynisch geworden en maken er flauwe grappen over als: er zullen wel palen onder de oppervlakte zijn aangebracht en nog veel meer varianten, tot en met de loopband op Schiphol.
Laten we weer eens teruggaan naar het begin: de schepping. God creëert en ordent uit duisternis en chaos die beangstigend zijn een wereld waar het goed leven is. Dat is het uitgangspunt. Er is God alles aan gelegen de mens te helpen en tegemoet te treden. Op dat meer ontstond chaos in de duisternis en God in Jezus komt te hulp, hoe Hij dat precies doet, is niet van belang, broeders en zusters. De schepping en de oerknal bijten elkaar niet, beide helpen ons te duiden waar ons oerbestaan uit is ontstaan en laten we dan ook stoppen ons met allerlei spookverhalen bezig te houden.
Jezus komt ons tegemoet en gaat in hetzelfde schuitje zitten. Hij gaat op in onze angst en deelt het volkomen met ons. Of dat nu lopend over  het water of vele stappen verder in de dood aan het kruis, het zijn beelden van het volkomene en het belangeloze van Jezus aan ons. Het is een uitnodiging. Hij steekt zijn hand uit. En wat doen wij? Blijven we in die angst hangen of willen we worden gedragen? Gaan we Hem tegemoet of blijven we op de wal staan toe te kijken? Duizenden zinken er dagelijks op de Middellandse zee, omdat de wereld geen hand uitsteekt. Er is veel lijden, waaronder dat van onszelf, en het lijkt of niemand ons tegemoet komt. Alles wat Jezus ons voorleeft, wordt ons ook gelijk gegeven. Petrus is er het levende bewijs van. Het is een held. Hij gaat het aan en heeft het begin gemaakt. Dus is hij ons al enkele stappen vooruit. Dus in potentie zit het in ons. Dat het niet helemaal niet lukt, maakt niet uit. De oprechte intentie laat ons over het water lopen. We hebben onze nek uitgestoken. Dat we de eindstreep niet gelijk halen, is normaal. Daar hebben we een heel leven voor en het verhaal vertelt ons uiteindelijk ook dat op het moment dat Petrus lijkt te denken ‘dit kan niet waar zijn’ en dreigt weg zinken, zijn geloof weer aanwakkert door weer zijn hand uit te steken. Mijn pijn in de wachtkamer wordt er deze keer, omdat de dokter weg is geroepen niet minder om, maar ik hoef het niet alleen te dragen. Jezus vraagt niet: “waarom werd je angstig?” Hij vraagt: “waarom heb je getwijfeld?” Ik denk dat we onszelf die vraag ook mogen stellen.  

1e lezing: 1Kon. 19,9a.11-13a; 2e lezing: Romeinen 9.1-5; evangelie: Matteüs 14,22-33
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Onmiddellijk hierop dwong Hij zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. Toen Hij het volk had weggezonden, ging Hij de berg op om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen. De boot was reeds vele stadiën uit de kust en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind. In de vierde nachtwake kwam Hij te voet over het meer naar hen toe. Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan, raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeuwen. Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: ‘Weest gerust. Ik ben het. Vreest niet.’ ‘Heer’, antwoordde Petrus, ‘als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.’ Waarop Jezus sprak: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: ‘Heer, red mij!’ Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl hij tot hem zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’ Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen. De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: ‘Waarlijk. Gij zijt de Zoon van God.’

deel dit artikel


Meer interessante pagina's