Preek van 13 september 2015

24e zondag door het jaar 

Broeders en zusters, het zijn profetische woorden die we vanmorgen horen. In een notendop schetst Jezus zijn weg in zijn actieve periode. Hij verdrijft het ongeloof bij Petrus. Hij geeft er zelfs de naam satan aan. 

Zo heftig schat Jezus dus in hoe Petrus op Hem reageert, goed en kwaad in een mens verenigd. Jezus roept ons allen op het kruis op ons te nemen en onszelf te verloochenen. 
Kent u dat ook? Je leest een tekst, het hoeft niet altijd een Bijbelse tekst te zijn en je merkt dat een woord of een uitdrukking je trickert. Soms is het omdat je het niet begrijpt. Maar vaak ook kan het te maken hebben met een gemoedstoestand waarin je je op dat moment bevindt, terwijl je er op een ander moment overheen zou hebben gelezen. 
Ik had dat heel sterk bij ‘je kruis opnemen’ en ‘verloochenen’. Het kruis opnemen raakt me, omdat Jezus praktisch gezien toch niet van ons kan verwachten dat we een paar honderd kilo hout op onze schouder torsen. Ik denk nu waarschijnlijk, dat bedoelt Hij niet zo. Ik denk dat ook, maar tegelijk heb ik in Jeruzalem op de Via Dolorosa, de lijdensweg die Jezus heeft afgelegd, mensen van nu zo'n kruis zien torsen. Goed kijkend bemerkte ik wel wieltjes aan het voetstuk. 
Eerst duiken we wat dieper in ‘verloochenen’. Dat staat er niet maar ik wil er toch mee beginnen. Het is nogal een zwaar woord. Het betekent in wat meer eigentijdse taal: negeren van de ander, onverschilligheid in een zware vorm. In het evangelie staat zelfverloochening. Het is een wat ouderwets woord: zelfverloochening. Het zou dus eigenlijk het negeren van jezelf zijn. Toch heeft zelfverloochening een meer barmhartige betekenis. Het betekent afstand doen van je eigen belangen en een ander belang dienen. In dit geval is dat Jezus volgen, met alles erop en eraan. Geen gemarchandeer, geen keuzevrijheid, take it or leave it. Het staat zo haaks op de inrichting van onze samenleving en wat er van ons van jongs af aan wordt meegegeven: profileren, ambitie, scoren, rivaliteit, doelen halen. Het begint al vroeg op de basisschool. De competitie rond wie de beste spreekbeurt houdt. 
Valt het u ook op? Het zijn allemaal woorden rond het ik. We noemen dat ook wel met een gek woord de toenemende ikkigheid. Zelfverloochening, iets moderner gezegd, jezelf kunnen en willen wegcijferen komt in de beleving van de mens niet meer voor. Zelfverloochening zou iets van zwakkelingen zijn, zie haar of hem eens, hij vlakt zichzelf uit en komt niet voor zichzelf op, een zielige, een watje, een slachtoffer. 
Niets is minder waar. Wegcijferen, zelfverloochening vraagt juist het tegenovergestelde. Je kunt jezelf alleen maar geven als je wat te geven hebt. Je kunt juist alleen maar geven als je stevig in je schoenen staat, als je voelt dat het belang een ander te dienen zoveel rijker is: met als stip aan de horizon de versmelting met God, door Jezus te volgen in goede en kwade dagen. Gelukkig begint onze tijdgeest ook wel te veranderen. Ikke en de rest kan stikken verdampt wat en vanuit de basis van de samenleving zie je mooie initiatieven ontstaan waarin mensen elkaar weer opzoeken, samen willen delen en veel kritischer worden ten opzichte van overdadig consumptisme. Je ziet juist bij een toenemend aantal jongeren de zucht naar de essentie, eenvoud en genoeg is genoeg. Men eist niet alles voor zichzelf op en gunt een ander ook wat. 
Zelfverloochening heeft met liefde te maken. Liefde kan je ook pas delen als je jezelf liefhebt. Jezus zegt het ook elders: heb je naaste lief als jezelf en dat staat gelijk aan God liefhebben. Dat is hetzelfde met zelfverloochening. Je kunt dat pas vanuit een innerlijke evenwichtigheid. 
Het antwoord hebben we eigenlijk al gehoord voor het evangelie in de tweede lezing; de Jacobusbrief, echt een pareltje. Hier komen de woorden voor die een voetbalclub uit Rotterdam als lijfspreuk heeft toegeëigend en ook het clublied gebruikt de woorden. Als ze zouden weten hoe Bijbels het is, vraag ik me af of ze het toentertijd zouden hebben geïntroduceerd. Maar toch heeft onze grootste stad daar wel weet van? Niet zeuren maar poetsen is een gekuiste vorm van haar adagium. 
De Bijbel heeft echter de oudste rechten. Het komt het meest tot uiting in het Hebreeuwse woord: dabar. Je zou kunnen zeggen: geen woorden maar daden, maar dat is me toch des Feyenoords, de werkelijk betekenis is: het woord is pas echt een woord als het gestalte krijgt, anders blijft het bij woorden en dan is het een leeg vat. Wordt het omgezet in een daad dan wordt het werkelijkheid. Dat zegt Jakobus vanmorgen: als het geloof niet in daden wordt omgezet dan is het inhoudsloos. Vanuit onze daden bewijzen wij ons geloof. Schitterend toch. 
Maar nu naar het dagelijks bestaan. Jezus vraagt ons niet het feitelijke gewicht van het kruis op ons te nemen. Jezus stelt ons niet voor een onmogelijke opdracht door de zelfverloochening. 
Er wordt ons gevraagd niet weg te kijken van wat er op ons pad komt. De naastenliefde kan vertolkt worden door de wijze waarop we met onze naaste omgaan: een arm om de schouder, een woord van troost, een blik van tederheid naar de ander. Het zijn dingen die zich dagelijks kunnen voordoen als we uit ons wereldje stappen en onze ogen gericht houden op de mensen in mijn omgeving. Ik parkeer mijn eigen belang en laat door deze simpele handelingen het belang van de ander voorgaan. Mijn kruis opnemen vraagt iets meer. Het kan zijn dat je aan een lastige ziekte lijdt, er zwaar onder gebukt gaat. Klagen is volstrekt op zijn plaats. Maar als we onze ogen openhouden, zien we dat we als we alleen jammerklachten laten horen op den duur afhaken. Het is makkelijker om je arm troostend om iemands schouder te slaan als je aangeeft: “ik heb het moeilijk, ik zie het even niet zitten”, dan dat je loopt te jeremiëren. 
We zien op dit moment allerlei hartverwarmende initiatieven om de vele vluchtelingen, die Bijbelse Exodus, op te vangen. Ook al heb je weinig, die ene warme sjaal die je weinig draagt, kan werkelijke en figuurlijke warmte geven. Mensen worden na een onmenselijk bestaan en een vreselijke vlucht welkom geheten en gekend. Maar wat te doen als we iemand opnemen en hij blijft langer. Hij is getraumatiseerd, je ziet het leed, je spreekt elkaars taal niet, je voelt je machteloos. Dan kan het een echt kruis worden. Hij integreerde moeilijk, hij snapt niets van ons en lust geen stamppot. Neigen we dan niet te denken: wat ondankbaar? Nee, broeders en zusters. Werkelijk geloof vertaalt zich in daden ook als het moeilijk wordt. Juist dan moeten we het kruis op ons nemen en onszelf verloochenen. Wij zijn aan de goede kant van de streep geboren. Daarmee wil ik niet zeggen, dat iedereen het hier makkelijk heeft en niet moet zeuren. Er zijn ook in ons eigen land veel schrijnende gevallen. Maar we nemen ons kruis op door niet weg te kijken en wat te doen met wat op onze weg komt. Is het veraf, is het nabij? Heb ik veel draagkracht of vind ik het al moeilijk genoeg mijn eigen leven op de rails te krijgen. Beide zijn geloofsdaden. Dan nemen we ons kruis op, onze eigen kruis en de ander die misschien meer kracht heeft ook een stuk van het kruis van de ander. Het een is niet meer daad van geloof dan het ander. 

Eerste lezing: Jes. 50,5-9a; tweede lezing: Jak. 2,14-18; evangelie: Marc. 8,27-35. 
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978: 
Jezus trok nu met zijn leerlingen naar de dorpen rond Caesarea van Filippus. Onderweg stelde Hij aan zijn leerlingen de vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ Zij antwoordden Hem: ‘Johannes de Doper, anderen zeggen Elia en weer anderen, dat Gij een van de profeten zijt.’ Daarop stelde Hij hun de vraag: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Petrus antwoordde: ‘Gij zijt de Christus.’ Maar Hij verbood hun nadrukkelijk iemand hierover te spreken. Daarop begon Hij hun te leren, dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden verworpen worden en ter dood gebracht, maar drie dagen later verrijzen. Hij sprak deze woorden zonder terughoudendheid. Toen nam Petrus Jezus terzijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden. Maar zich omkerend keek Hij naar zijn leerlingen en voegde Petrus op strenge toon toe: ‘Ga weg, satan, terug! want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.’ Nadat Hij behalve zijn leerlingen ook het volk bij zich had laten komen, sprak Hij tot hen: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden. 

 

deel dit artikel


Meer interessante pagina's