Preek van 22 januari 2017

3e zondag door het jaar

Heel interessant vind ik, dat het liturgische kalenderjaar begint met de oproep tot bekering en de roeping door Jezus van zijn eerste leerlingen. Ik mag dit dan interpreteren dat ons dagelijks leven – het hele jaar door - vooral door de bekering naar God toe moet getekend worden. Elke dag proberen we ons hart opnieuw naar God te richten. Want in de bijbel duidt het begrip aan: op een ‘zich opnieuw keren tot God’. In de tijd van Jezus probeerden vele mensen intensiever om volgens Gods wet te leven, aan de reinheidswetten te voldoen, de dagelijkse gebeden te reciteren en vooral de sabbat in alle details correct te onderhouden. Maar waarom dan toch die oproep van Jezus: ‘Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij?’ Zijn die mensen dan in Jezus’ ogen op de verkeerde weg? Toen Jezus zich bij het meer van Galilea ophield, riep Hij: ‘Komt, volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken’. Hij vraagt ook dat wij anders gaan denken en een andere instelling moeten gaan hebben. Gods vrees is meer dan alleen wetsgetrouw handelen. Onze God is geen bureaucraat, ook geen beul. De blijde boodschap van Jezus zegt iets heel anders. Hij wil maar één ding: dat het ons goed gaat, door de omkeer van de wet, een omkeer van het hart te maken.

Voor zijn missie van de blijde boodschap gaat Jezus niet op zoek naar hoogopgeleide mensen maar naar eenvoudige vissers, medewerkers uit het gewone volk en wel mensen die met hun voeten midden in de maatschappij staan. Van die visvangers zal Hij vissers van mensen maken. Letterlijk kan dat betekenen, dat Jezus hen simpelweg roept om de mensen uit de verdrinkingsdood te redden. Jezus begint niet bij de farizeeën en schriftgeleerden, die orde op zaken brengen en wetten voorleggen. Hij begint bij de vissers, mannen die weet hebben van de storm op zee, van wat storm in het leven van mensen kan aanrichten. Jezus vraagt hen te doen zoals Hij het hun voordoet: zorg dragen voor de naasten. We moeten in beweging komen om de samenleving tot samen leven te brengen, waarin wij goede buren van elkaar zijn, tegenstellingen overbruggen tussen links en rechts, tussen het ene geloof en het andere. Het Rijk Gods vraagt ook geen perfecte mensen. Dat blijkt uit wat we later in het evangelie van die leerlingen te weten komen. De ene zal Jezus verloochenen als het moeilijk wordt, anderen gaan ruzie maken over wie nu wel de grootste is. Er is er zelfs één die Hem zal verraden en overleveren aan de vijand, in ruil voor geld. Ja, wij hoeven niet perfect te zijn. Wij hoeven ook niet geletterd te zijn. Het is niet zo dat wij door een zogenaamd vrome levenswijze kunnen tonen, dat wij door God geroepen zijn. Wij moeten alleen maar ‘ja’ zeggen. Jezus’ oproep tot bekering zet ons aan om naar hem te luisteren en hem te volgen.

De geroepen vissers kregen nu voor hun oude beroep een andere invulling. Voortaan worden ze vissers van mensen. Dit is het bekeringsmoment voor hen die Jezus volgen. Dan wordt er een nieuwe manier van leven geopend. Jezus brengt mensen niet alleen bij God door woorden, maar vooral door daden. Het loslaten van vertrouwde paden is niet altijd gemakkelijk, maar soms noodzakelijk. Zoals Jezus, zouden ook wij ons moeten richten op plekken waar het woord van God gezaaid en beleefd kan worden en waar het leven van Jezus vruchten draagt. Het gaat er niet zozeer om dogma’s of leerstellingen aan de mensen te brengen, maar om iets te laten zien van Gods aanwezigheid, zijn liefde en licht. Iets van de levenskracht die ons doet voortgaan, geestkracht die ons aanmoedigt om de hoop te bewaren en van het leven te houden zoals het gaat en komt. Mensenvissers moeten we zijn, dat wil zeggen: mensen opvangen, die dreigen om te komen in de woeste golven van het bestaan. Dat is trouwens de oude opdracht uit de Tora, namelijk: God liefhebben met hart en ziel en zo ook de naaste, omdat die is zoals ik zelf ook ben. En in die traditie staat Jezus ook zelf. Geïnspireerd door Jezus, gaan we achter Hem aan en dragen wij Gods licht uit; wij worden elkaars naaste en dragen zorg voor elkaar. Daar moeten wij van gaan getuigen.

 

1e lezing: Jesaja 8,23b-9,3; 2e lezing: 1Kor. 1,10-13.17; evangelie: Matteus 4,12-17.
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea. Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaum aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja: Land van Zebulon, land van Naftali, liggend aan de zee, Overjordanie: Galilea van de heidenen! Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het land van de schaduw van de dood gezeten waren, over hen is een licht opgegaan. Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: ‘Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij.’

deel dit artikel


Meer interessante pagina's