Preek van 22 oktober 2017

29e zondag door het jaar

Waarom, dierbaren, proberen wij elkaar te vangen met woorden? Waarom zitten wij elkaar op de hielen en proberen de ander te betrappen op leugens? Ik heb nooit goed begrepen wat anderen bezielde om mij te pakken met wat ik zei. Dat is vaak genoeg gebeurd. Vooral op school werd ik telkens weer op de proef gesteld en uitgedaagd: veel van wat ik zei werd op de mangel genomen en net zolang verdraaid en belachelijk gemaakt tot er niets van overbleef. Ook toen ze mij eenvoudig iets vertelden of vroegen, luisterden ze niet en ging mijn reactie verloren in hoongelach of pesterij. Ik herken me dus volledig in Jezus, die vandaag dat lot ook moet ondergaan: de Farizeeën gingen onder elkaar beraadslagen hoe ze Jezus in zijn eigen woorden konden vangen. Alleen heeft het hier niet meer het relatief onschuldige van jongeren op een schoolplein, maar het gaat over volwassenen die een mens in de volle bloei van zijn leven willen vermoorden. Ze willen dat op een zogezegd aanvaardbare manier doen, door namelijk een valstrik voor Hem te spannen. Wat je ook antwoordt: door erop in te gaan ben je gevangen.

En de vraag blijft: waarom doen ze dat? Jezus deed niets dan goeds: Hij genas zieken, hielp talloze mensen en verkondigde Gods liefde en vrede voor iedereen en altijd. Op die manier gaf Hij heel sterk de indruk dat Hij Gods plaats innam, dat Hij vrede schept in plaats van verkondigt. Hij gaat inderdaad in de loop van zijn leven steeds meer benadrukken dat Hij zelf de weg, de waarheid en het leven is, en dat is voor anderen onaanvaardbaar, vooral voor de theologen van die tijd, de Farizeeën. Je mag spreken over Gods Rijk, maar je moet wel een afstand daartoe behouden.
Ze proberen Hem dus gevangen te zetten, en stellen Hem daarom een vraag over zijn houding ten opzichte van de Romeinen, die op dat moment het land bezetten en waaraan ze belastingen moeten betalen. Alsof ik u tijdens de Tweede Wereldoorlog een vraag zou stellen over uw houding ten opzichte van de nazi’s: of u nou positief of negatief antwoordt, u kan erop gepakt worden door de ene of de andere partij.
Jezus antwoordt vanuit een deugddoende nuchterheid en helderheid. Hij ontwijkt het probleem niet, maar bekijkt het dilemma juist zó realistisch dat het doorprikt wordt en er toch weer die andere dimensie, waar het Hem om te doen is, doorheen gloort. Het plaatje op de munt is van de keizer, dus de munt moet retour keizer. Hij slaat de duivel bijna letterlijk plat. Het probleem wordt zó banaal dat er niets van overblijft.
Of toch niet? Want opeens, door zo plat te spreken over geld, krijgt het andere, God, alle ruimte. “Geef aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.” Moeilijker hoeft dat niet te zijn. Tenminste…

Want wat moeten wij verstaan onder “aan God geven wat God toekomt”? Wat komt God toe, dierbaren? Wat willen wij God geven? Hoeveel willen wij Hem geven? Hoe ver gaat onze liefde voor Hem? Onze zondagvoormiddag willen wij vrijmoedig voor Hem vrijmaken. Misschien een tafelgebed, een gebed voor het slapengaan. Misschien leggen we ons toe op een of andere vorm van liefdadigheid of vrijwilligerswerk, zodat we ook ons werk aan God geven.

Vandaag is het Wereldmissiezondag. We zijn dankbaar en bidden voor zovelen die God alles willen geven wat Hem toekomt, meer dan zij kunnen geven. Zij willen God meer geven dan zij kunnen geven, en van daaruit trekken zij de wereld in tot in de verste uithoeken, om te gaan uitdelen, verkondigen, helpen, getuigen. Gods liefde stuwt hen voort en doet hen boven zichzelf uitstijgen.
Anderzijds zijn er monniken, monialen en religieuzen overal ter wereld die hun gehele leven aan het gebed wijden. De vorm is anders, de intentie hetzelfde: allen zijn wij geraakt door Gods stem, die onweerstaanbare stem die in ieder van ons fluistert en ons een leven lang energie en levenslust geeft.
Toch, dierbaren, zullen we nooit kunnen tippen aan die Ene, Jezus Christus, die zich op het kruis tot het uiterste toe aan God heeft gegeven. Hij heeft ons voorgeleefd wat aan God toekomt: je hele leven namelijk, want dat is je geschonken om niet, zomaar, uit liefde. We kunnen dus niet anders dan ons hele leven lang dankbaar zijn om dat geschenk en ons verliezen in God. Laat die munt maar van de keizer zijn, mijn hart is van God.

1e lezing: Jesaja 45,1.4-6; 2e lezing: 1Tess. 1,1-5b.;  evangelie: Matteüs 22,15-21
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Toen gingen de farizeeën weg en maakten plannen om Hem in zijn redenering te verstrikken. Ze stuurden hun leerlingen op Hem af, samen met de herodianen. Die zeiden: `Meester, we weten dat U een waarheidslievend man bent en naar waarheid onderricht geeft over de weg van God, en U door niemand laat beïnvloeden, want U ziet geen mens naar de ogen. Zeg ons dan wat U hiervan vindt: mag men belasting betalen aan de keizer of niet?' Maar Jezus, die hun kwalijke opzet doorzag, zei: `Waarom stelt u Me op de proef, huichelaars? Laat Mij eens een belastingmunt zien.' Ze gaven Hem een denarie. Hij zei hun: `Van wie is die afbeelding en het opschrift?' Ze zeiden hem: `Van de keizer.' Daarop zei Hij tegen hen: `Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.' Toen ze dat hoorden, stonden ze verbaasd; ze lieten Hem met rust en gingen weg.

deel dit artikel


Meer interessante pagina's