Preek van 26 april 2015

4e zondag van Pasen 

Loop je in Rome rond in de buurt van Vaticaanstad dan moet je wel stekeblind zijn als je geen enkele religiewinkel hebt gezien. Je kunt je geen beeld, geen ansichtkaart of medaillon uitdenken of die vind je er in alle maten en gewichten ten toon gesteld. 

Enkele beeldjes – ze mogen dan nog uit pleister of kalk zijn – spreken omwille van hun soberheid en hun betekenis menige pelgrim aan. Zo onder meer het witte beeldje van de Goede Herder. Na de vis, de oudst bekende voorstelling van Jezus. Dat blijkt onder meer in de vroeg-christelijke iconografie, in de voorstelling van Christus in de catacomben en later ook nog, in de wereldberoemde mozaïeken te Ravenna. Deze goede herder met zijn idyllische uitstraling oogt aantrekkelijk en sympathiek. Dit beeldje staat dan, omwille van zijn uitgesproken christelijk motief, op de schrijftafel van menige priester. Reeds van jongs af aan sprak deze figuur mij heel sterk aan vanwege het schaap dat Jezus op zijn schouders draagt. Het verloren schaap met name, dat ten voeten uit de ware herder typeert. Want een herder kent elk schaap bij de naam. Vindt hij er een niet, dan gaat hij alles doen om dat ene schaap terug te vinden, desnoods ten koste van heel zijn kudde. 

Maar die herder is reeds een geruime tijd uit onze leefwereld verdwenen. Hij is gedateerd en zal wel nooit meer terugkeren. Vroeger, met name in onze joods-christelijke traditie, was dit anders. Reeds in het eerste verhaal uit de Schrift komt hij ten tonele. Abel was de eerste en na hem kwamen alle aartsvaders van achter de schapen. Mozes zal wel de grootste bij uitstek geweest zijn. 

Hij ging zijn volk vooruit, leidde het door diepe wateren en liet het voedsel vinden in de woestijn. En eenmaal Israël zich in het land heeft gevestigd werd David tot koning aangeduid op het moment dat hij de schapen aan het hoeden was. Van dan af werd het beroep van herder een ambt, Iemand die door God geroepen is en in Zijn naam gezalfd werd. Uiteindelijk werd dit predicaat aan God toegekend en werd Hij in de Psalmen en door de profeten als de enige en ware herder bezongen. Later, in Jezus’ tijd, riep het herderschap weinig romantische gevoelens op. Het vak was bikkelhard, vermoeiend en vaak zelfs gevaarlijk. Wat er toen aan herders rondliep was ingehuurd gespuis dat dag en nacht bij de schapen toefde en door de stedelingen gemeden werd. De enige waarachtige herder was de Heer en diens Messias. Wanneer Jezus tegenover de Farizeeën zichzelf de goede herder noemde klonk dit dan ook als een provocatie. En met deze eigenschap wilde de evangelist Johannes zeggen dat Jezus de echte, de enige ware herder is. ‘Goed’ was geen soft begrip, het betekende niet ‘goedaardig’ of ‘zacht’ maar wel zuiver op de graad, integer, gaaf, ideaal, echt, goed doende. Een herder die al de zijnen kent én door al de zijnen gekend is aan zijn stem. Elk schaap heeft een eigen naam, en de herder kent en bewaart al die namen. Daarom luisteren de schapen ook naar zijn stem, want elk schaap herkent deze stem uit duizenden. In tegenstelling tot de huurling zal Jezus zijn schapen nooit in de steek laten wanneer dieven en rovers komen. Hij legt liever zijn eigen leven in de weegschaal dan dat er een van de zijnen geroofd of gedood wordt. 
Meer nog, hij zal niet alleen zijn schapen weiden, Jezus zal ook die van de buitenstaanders onder zijn hoede nemen. En daarin verschilt Jezus van de Farizeeën en Tempeloversten, de ‘pseudo-herders’ die bang zijn voor hun eigen positie, voor de eigen veilige zekerheid, voor de goede naam. Vandaar die provocatie. Een huurling vlucht meteen voor een mogelijke dreiging, en vlucht daarmee voor zijn verantwoordelijkheid tegenover de kudde die hem toevertrouwd werd. 

Deze beeldtaal klinkt wellicht wat achterhaald, wat ‘passé’, te mooi en te ideaal om vandaag nog waar te kunnen zijn. Trouw bijvoorbeeld en vertrouwen, het zijn prachtige waarden, ook vandaag nog, maar we zien rondom ons al te vaak het tegendeel. Mensen die zich enthousiast voor een kar spannen maar al even vlug faalangst tonen en vervolgens afhaken. Wanneer wij ons daarop blindstaren worden wij plots en ongewild zelf een verloren schaap. Want kleine en grote hoopgevende voorbeelden van ongekende trouw tot het uiterste zijn er te over. Denken we bijvoorbeeld maar aan onze eigen broeders van de Atlas. Gewrongen tussen de verbeten strijd van militairen en verzetsstrijders, en na een niet vanzelfsprekend groeiproces in hun gezamenlijk denken, kiezen deze monniken uiteindelijk voor de liefde. Voor de verloren schapen uit hun onmiddellijke omgeving. Voor de trouw aan hun roeping, aan hun belofte, aan hun stabiliteit, Kiezen ze evenzeer voor de christenen als voor de moslimbroeders uit het nabijgelegen dorp. Tekenend voor deze trouw en voor het wederzijds onstuitbaar vertrouwen is de volgende dialoog uit de film ‘Des hommes et des Dieux’: “Blijven jullie?”, vraagt een dorpeling. “Dat weten we nog niet,” is het antwoord, “wij zijn als vogels op een tak: we kunnen wegvliegen of blijven zitten”. “Wij zijn de vogels” verweert de man zich, “jullie zijn de tak”. En zij hebben inderdaad in de uiterste vorm van trouw gekozen om er als tak te blijven. En voor God waren ze de schapen want ze zijn de enige, goede Herder gevolgd. 

Al te vaak blijkt dat rouw tot het uiterste regelrecht ingaat tegen onze westerse idealen. Wij nemen het liefst ons leven zelf en helemaal individueel in handen. Wij willen vrij en onafhankelijk onze weg gaan en stellen het eigen leven boven alles. Wanneer wij goed luisteren naar de stem van God en wanneer we kijken naar het leven van zijn Zoon, dan ziet de goede herder dit wel eens helemaal anders, tegendraads, eigenzinnig. Uiteraard wil ook Jezus maar al te graag dat elk schaap het zo goed mogelijk heeft. Maar precies daarom hoort het bij de kudde te blijven, onder de bescherming van een goede herder. Van een herder die op dat moment plaatsvervangend de ware Herder is. Die weet waar er gevaar dreigt. En wanneer het zover is, beperkt deze herder zich niet tot het geven van aanwijzingen voor zelfredzaamheid. Want op eigen kracht redden de schapen het niet. Ook in de kudde blijven ze nog weerloos. 

Dat mooie idyllische beeld van die jonge herder spreekt daarmee niet enkel over die jonge man. Het zegt evenveel uit over het schaap dat hij draagt. Misschien was dat schaap wat eigenzinnig, en had het genoeg aan die naamloze kudde. Net zoals dat schaap is elke mens ook broos en kwetsbaar en wil het toch allemaal alleen beredderen. Hoe actief deze mens ook is, hoe begaafd en getalenteerd, een mens wordt pas ten volle diegene die God bedoelt wanneer hij/zij zich laat leiden door een goede herder. wanneer hij/zij steeds sterker groeit in verbondenheid met Hem die redding en genezing brengt. 

Eerste lezing: Hand. 4, 8 - 12; tweede lezing: 1Joh. 3, 1 - 2, evangelie: Joh. 10, 11 – 18 
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978: 
Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. Ik heb nog andere schepen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: een kudde, een herder. Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het later weer terug te nemen. Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf. Macht heb Ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen.’

 

deel dit artikel


Meer interessante pagina's