Preek van 5 februari 2017

5e zondag door het jaar

“Een klap in het gezicht van onze vrije wereld.”
“Nederland is ervan overtuigd dat vluchtelingen van oorlog en geweld een veilig heenkomen verdienen ongeacht hun afkomst of geloof.”
“Ik verzeker diegenen die in Canada zijn gestrand dat ik mijn macht als minister zal aanwenden om hen te verzekeren van een tijdelijke verblijfsvergunning als ze die nodig hebben.”
Een kleine greep uit de vele reacties op het Amerikaanse inreisverbod voor inwoners van zeven moslimlanden.

Ook in de Verenigde Staten zelf zijn mensen massaal de straat op gegaan om tegen dit decreet te protesteren. Zelfs de nu vorige waarnemend minister van Justitie heeft haar ambtenaren opdracht gegeven om het tijdelijke inreisverbod niet te verdedigen voor de rechter. Want het is de plicht van het departement om altijd te strijden voor rechtvaardigheid. Het verdedigen van dit decreet sluit volgens haar dan ook niet aan bij die verantwoordelijkheden. Het is een klap in het gezicht van onze vrije wereld.

Daarom “deel uw brood met de hongerigen”, aldus de profeet Jesaja in de 1e lezing, “neem de dakloze zwervers op in huis, kleed de naakten die gij ziet, en keer u niet af van uw medemensen.”

In de vorige hoofdstukken kondigt de profeet Jesaja zowel de terugkeer uit de ballingschap als de wederopbouw van Juda reeds aan. Maar nu, in de tijd na de ballingschap, laat dit beloofde herstel nog lang op zich wachten. Het volk is ontmoedigd, en teleurgesteld. In de lezing van vandaag hernieuwt de profeet dan die oude belofte. Tevens maakt hij ze ook afhankelijk van de morele gesteltenis van het volk, en wel: door het doen van barmhartigheid en rechtvaardigheid. “Deel uw brood met de hongerigen”, aldus Jesaja, “neem de dakloze zwervers op in huis, kleed de naakten die gij ziet, en keer u niet af van uw medemensen.”

Als het volk zo de gerechtigheid doet, zo de onderdrukking en onrecht uit hun midden verwijdert, zal het Gods zegen ondervinden, en “zal uw licht stralen als de dageraad, uw genezing voorspoedig zijn; uw gerechtigheid voor u uitgaan.”

Want, zegt Jezus tot zijn leerlingen, “gij zijt het licht der wereld … Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn.”

Gij zijt het licht der wereld. Een beeld dat zijn plaats heeft binnen het Oude Testament en het Jodendom van Jezus’ tijd. Hierin wordt niet alleen God het licht genoemd, maar ook Israël, de Thora, de tempel, en houden zelfs de schriftgeleerden zichzelf voor een licht te zijn voor hen, die in duisternis zijn.

Nu worden de ‘gij’ het licht der wereld genoemd, niet de schriftgeleerden. Mochten die ‘gij’ deze opgave als te ‘hoog’ zien liggen, dan moeten zij weten, dat zij deze taak niet uit zichzelf volbrengen. Zij zijn als een stad, die hoog op een berg ligt en daarom niet onopgemerkt, verborgen in een dal kan blijven. De ‘gij’ zijn duidelijk zichtbaar. Zij kunnen niet verborgen blijven, evenmin als een stad, die hoog boven op een berg ligt.

Maar niet alleen kunnen de ‘gij’ niet verborgen blijven, zij mogen het ook niet. Daarop wijst de zinsnede, dat een lamp niet aangestoken wordt om vervolgens onder de korenmaat gezet te worden. Dan gaat de lamp onmiddellijk weer uit. Een aangestoken lamp hoort namelijk op een standaard te staan. Want allen in huis moeten het zien. Allen moeten erdoor verlicht worden.

Scherper dan met het beeld van het smakeloos geworden zout, worden de ‘gij’ hier vermaand om niet door eigen toedoen hun licht te laten uitgaan onder de korenmaat. Maar door goede werken te verrichten, hun licht te laten schijnen voor de mensen.

Wat die goede werken precies zijn, wordt later bij Matteüs duidelijk gemaakt: de hongerigen te eten en de dorstigen te drinken geven, de naakten kleden, de zieken en gevangenen bezoeken, en ook de vreemdelingen huisvesten. Deze goede werken worden niet gedaan met het oog op een beloning. Integendeel! Zij worden gedaan uit geloof, uit liefde tot God en tot de medemens. Zal onze vrije wereld dan nog een klap in het gezicht krijgen?

Vandaag de dag staan zaken als medemenselijkheid, barmhartigheid en rechtvaardigheid, waarden en normen op de tocht, en worden door menigeen op de proef gesteld. Zowel ver weg, alsook dichtbij. Het Amerikaanse inreisverbod mag hiervan een duidelijk voorbeeld zijn. Maar, wat doen wij? Hoe gaan wij met deze zaken om? Met medemenselijkheid? Met barmhartigheid en rechtvaardigheid in het leven van iedere dag? Laten wij in ons doen en laten, in ons spreken en handelen Gods licht schijnen over onze medemensen?

Moeilijke, en misschien ook wel confronterende vragen. Het roept ons immers op tot verantwoordelijkheid; tot geëngageerd handelen. De lezingen van vandaag laten zien dat het niet onopgemerkt zal blijven. Uw licht zal stralen als de dageraad, zegt Jesaja in de eerste lezing. En het zal staan op een standaard, hoorden we in de evangelielezing, opdat allen in huis het licht zal zien en erdoor verlicht worden. Wellicht dat dan onze vrije wereld geen klappen meer krijgt in het gezicht. Amen.

 

1e lezing: Jesaja 58,7-10; 2e lezing: 1Kor. 2,1-5; evangelie: Matteüs 5,13-16
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Gij zijt het zout der aarde. Maar als het zout zijn kracht verliest, waar mee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden. Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt! Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn. Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is.

deel dit artikel


Meer interessante pagina's