|
Biechten in deze tijd?
uit een onderricht voor de gemeenschap, gehouden in oktober 2005
Rond het ´sacrament van boete en verzoening´ leven allerlei vragen. Niet alleen vragen maar vooral ook gevoelens. Het is goed om vooraf eens bij ons zelf na te gaan welk gevoel ik heb bij dit sacrament. Voor velen in de westerse wereld is dit sacrament verdwenen uit hun religieus leven. Toch moet je hier oppassen voor generalisatie. Wie ooit in landen als Italië, Spanje maar zelfs het geseculariseerde Amerika is geweest, ziet daar de zgn. geseculariseerde westerse mens nog steeds biechten..
Het verleden en verhalen uit het verleden spelen hier een grote rol in onze houding tegenover het sacrament van de biecht. Veel mensen zullen zich herkennen in het verhaal van SP-fractievoorzitter van de 2e Kamer, Jan Marijnissen (55): “Ik ben zes jaar lang misdienaar geweest. In de vijfde klas lagere school heb ik mijn vader ten grave gedragen. Ik werd naar een kostschool gestuurd, de karmelieten in Oldenzaal. Ik was verplicht te biechten. Ik wist nooit wat ik moest zeggen. Wat doet een kind nou verkeerd? Ik zei altijd maar: “Ik ben weer niet gehoorzaam geweest”. Al die katholieke clichés werden erin gestampt: van barmhartigheid en medemenselijkheid. Sla de bijbel maar open, allemaal hypocrisie. Want wat er de rest van de week gebeurde, kon ze geen moer schelen” (VN 1995).
Jonge mensen van nu herontdekken vaak het sacrament. Zij zijn niet beladen met een ervaring of een gevoel uit het verleden. In een boek las ik het volgende getuigenis van een jongen van 20 jaar: “Ik probeer wekelijks te biechten. Ik ben blij dat ik het mag doen. Het is een weg naar de heiligheid. Mijn doelstelling is om dicht bij God te komen”.
Niet alleen bij jonge mensen, maar ook in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) wordt openlijk gesproken over de herwaardering van de persoonlijke biecht. In het nieuwe boek voor de ‘Orde van dienst ‘ in de PKN worden drie formulieren in opgenomen voor een persoonlijke biecht. Zeer opmerkelijk, omdat de biecht in de protestantse traditie niet tot de sacramenten behoort.
Wat is biechten?
Het woord biechten komt in het Nederlands voor het eerst tussen 900 en 1000 voor. Het bestaat volgens de Dikke Van Dale dan uit een samentrekking van de woordjes: ‘bi’ en ‘ghichten’. Bi betekent ‘bij’ en ghichten betekent ‘belijden’.
Biechten is dan: iets bij iemand belijden. Je merkt dan al meteen op dat in het woordje biechten het accent sterk ligt op het belijden.
Sinds Vaticanum II spreekt de kerk in haar officiële documenten niet meer van biechten. Er wordt consequent gesproken over het ontvangen of het vieren van het sacrament van boete en verzoening.
Boeten is een woord uit de visserij. De vissers boeten hun netten ná iedere vangst en dat betekent dat zij hun netten herstellen, repareren, weer heel maken.
In het woord verzoening komt dat ‘heel maken’ ook weer terug. Verzoenen is één maken of één worden. Het accent ligt nu veel meer op de ‘viering van het herstellen’ en het ‘één worden’ of ‘heel worden’.
Waar moet je nu van hersteld worden? Waarom als mens heel en één worden? Zowel God als de mens is relatie. Van God zeggen we dat Hij liefde is. Liefde is altijd verbondenheid en daarom is God altijd relatie. Niet alleen in zichzelf als Vader, Zoon en H.Geest, maar ook naar buiten toe, naar de schepping en naar de mens. De mens als beeld van God is ook relatie want hij/zij staat in verbondenheid met zichzelf, met anderen, met God en de dingen. Zowel God als de mens zijn geen eilanden, maar weefsels van relaties.
Kijken we vanuit God dan loopt er een draad van verbondenheid tussen God en de mens. Een draad van wederkerigheid, die in het gebed ont-dekt wordt en tot bloei komt. Het gebed leert ons immers de verbondenheid tussen de Abba God en het kind mens.
Er loopt ook een draad van verbondenheid van de mensen naar de dingen. De mens als heer en meester van de schepping kan in dienende verbondenheid de dingen aanwenden tot heil van zichzelf en heel de wereld. Deze verbondenheid met de dingen uit zich in het vasten, waarin wij met respect omgaan met de dingen.
Een derde draad van verbondenheid loopt er tussen ons medemensen. Een verbondenheid die zich concreet uit in de caritas, het klassieke aalmoes.
Zo is de mens door een net van draden verbonden aan God, de dingen en de medemens.
Voor Bernardus van Clairvaux heeft het gebed van de monnik twee vleugels. De ene vleugel is het vasten en de andere vleugel is de aalmoes. Zo stijgt het gebed voor de dingen, de wereld en voor de naasten op naar de Allerhoogste.
Is deze verbondenheid nu een gebondenheid?
Met andere woorden is de mens een gevangene van dit net van relaties? Is hij vastgebonden?
Volgens het marxisme is de mens een onvrij schepsel, dat op de verkeerde plaats in de wereld geboren wordt. De mens is voor hen opgesloten in zijn relaties.
Hiermee is alles al vlug hopeloos en zinloos.
Het evangelie daarentegen laat zien, dat de mens een vrij wezen is. Hijzelf kiest en is in staat om vrij te kiezen. Hij/zij kan kiezen voor een gebondenheid of een verbondenheid.
Door de mogelijkheid om vrij te kiezen kan de mens kiezen voor het aangaan van dit weefsel van relaties of juist de draden van verbondenheid niet aangaan of zelfs verbreken. De mens is vrij om verbondenheid aan te gaan of deze te verbreken.
Het verbreken van deze verbondenheid met God, de dingen en de medemens noemen we in het christendom ‘zondigen’. Dat de mens in staat is om te zondigen, is de keerzijde van zijn waarde om verbondenheid aan te gaan.
Bekering, boete en verzoening zijn vrije mogelijkheden van de mens om de verbroken verbondenheid met God, de dingen en de medemensen weer te herstellen, één te maken.
Wanneer we in onze dagen moeite hebben om over zonden te praten, laat dat iets zien van onze samenleving. In een sterk geïndividualiseerde samenleving staat het ‘ik’ centraal. Woorden als verbondenheid of solidariteit spelen nauwelijks een rol. En als ze al een rol spelen dan is het vanuit de houding dat ik zelf wel bepaal.
Wanneer er geen verbondenheid beleefd wordt dan beleven we ook niet de gebrokenheid van deze verbondenheid.
Als wij geen band met God hebben, geen beleefde verbondenheid, dan is zonde een inhoudsloos begrip. Zonde krijgt pas betekenis in een beleefde verbondenheid met God, de dingen en de medemens. Pas wanneer jij van iemand houdt dan ervaar je ook de broosheid en de gebrokenheid.
Hoe meer een mens bemint, hoe gevoeliger hij wordt voor de verbanden die de hele werkelijkheid doorkruisen. De christelijke traditie spreekt hier over de ‘gemeenschap van heiligen’. Dit is de verbondenheid van heel de mensheid en van heel de kosmos. Alles houdt van alles en Christus is het centrum. Het beeld van de spaken van een wiel verbonden met de as is hier op zijn plaats.
Tussen alle mensen in circuleert het leven. Dit beeld wijst ook op de zwaarte van onze zonde. Ze treft altijd de gemeenschap. De zonde sticht de gemeenschap van zondaars.
Er is alleen privé-zonde (zonde waarvan je meent dat ze in eigen huis gebeurt en niemand treft), zolang je nog niet echt bemint. Zodra de liefde in je sterk wordt, weet je dat al wat jij egoïstisch voor jezelf reserveert, anderen onthouden wordt. Dit is het immense zondebesef van de heiligen. Zonde is geen wetsovertreding, maar altijd een verbreken van het liefdesverbond.
Zonde is dus een religieus begrip. Een van de betekenissen van religie is ‘verbinden’. Zonde is geen zaak tussen ik en mezelf, geen schending van eigen dromen over mezelf. Zonde heeft alles te maken met de Ander: God, medemens en de dingen om ons heen. Zonde slaat op de slechte toestand van levensverbanden en vitale verhoudingen.
Aan dergelijke slechte levensverbanden ligt een zonde ten grondslag, namelijk een slechte fundamentele ingesteldheid van mijn hart. ‘Wat de mond uitgaat, komt voort uit het hart en dat bezoedelt de mens. Want uit het hart komen voort boze gedachten, moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenis en godslastering’ (Matteüs 15,18-19).
De grond vraag is: welke is mijn levensrichting?
Leef ik naar Christus toe – met vallen en opstaan – of gaat mijn leven bewust en vrij de andere richting uit, van Christus, van de liefde en van de gelovige gemeenschap weg?
De grootste zonde is, klassiek, ‘doodzonde’ genoemd, dat je niet meer wilt groeien, denken dat er geen verdere bekering meer nodig is, je tevreden stellen met wat je bereikt hebt, je neerleggen bij het minimum. Dat alles betekent, dat je nog geen enkel besef van de liefde hebt. Wie vindt dat hij zijn vriend genoeg bemint, bemint hem eigenlijk al niet meer, aldus Charles de Foucauld.
Wij beminnen eigenlijk nooit genoeg. We leven nooit genoeg verbonden. Er is dus dagelijks bekering nodig. Er is dagelijks herstelwerk nodig aan onze vitale levensdraden. Het verzorgen van die verbondenheid is een permanente levensopdracht. Bij een zonde ten dode, hebben we al gezien, wordt de verbondenheid echt doorbroken. Er zijn echter veel schakeringen tussen een hechte verbondenheid en een breuk van een levensdraad. Alfonsus de Liguori schijnt ooit eens gezegd te hebben: “Als er een olifant bij je thuis komt, merk je het wel”. Met die olifant bedoelde hij de zonden ten dode. Maar wat als er een muisje aan een van die levensdraden knaagt? Dit knagen is een langzaam voortschrijdend proces. De draad verslijt en bij een ogenschijnlijk klein voorval knapt hij af.
Bedriegen we onszelf niet als wij teveel nadruk leggen op het verschil tussen zonde-ten-dode en dagelijkse zonden?
Het gaat niet om de graad van de zonde, maar om de levensrichting die je kiest en wilt inslaan. Iedere zonde, groot of klein, tast onze verbondenheid met God, de wereld om ons heen en met de medemensen aan. Als je dit merkt in je leven dan is het gelovig gezien heel erg zinvol en dringend om telkens opnieuw uitdrukkelijk de Levende Heer van de verzoening te ontmoeten. Hij alleen kan onze verbondenheid met God, de wereld en de mensen herstellen.
Geraadpleegde literatuur: K. Depoortere, ‘Wij zijn van U met al ons kwaad’, Lannoo 1984 isbn 9020912313 .
> naar boven
|