dringende care artsen Opmerking viagra Nederland Wells fargo geldmarktrente
Nederlands | Français | English | Deutsch  
RSS feedTwitterTwitter

Preek van de week

(de preken worden door verschillende broeders in de abdij verzorgd)

 

 

 

 

 

Preek-archief

 

 

Preek van 25 september 2016
26e zondag door het jaar C
Ik ben mevrouw Metgod, Ik ben Loek Christis, ik ben meneer God, ik ben meneer Naaktgeboren…. Met deze namen stelden mensen zich voor toen ik kapelaan was te Maastricht. Toen had ik het gevoel of ze me voor de gek hielden.. Maar het blijkt dat deze familienamen in het zuiden van ons land heel gewoon zijn.

 

Voor ons zijn namen heel belangrijk, want het is heerlijk als mensen je bij je naam noemen. En het is frusterend als mensen je naam niet weten, of erger, als ze je naam wel weten maar niet uitspreken. Dan is het net of je er niet mag zijn. Mensen schijnen alle vormen van rijkdom te kunnen missen, materiele, geestelijke, zolang ze maar iemand hebben die hen bij hun naam noemt. Dat ze iemand zijn voor een ander, dat ze ergens bij horen.En hoe begint Jezus zijn verhaal?

“Er was eens een rijk man…..” In de parabels die Jezus vertelt hebben de mensen nooit een naam. Hij heeft het altijd over een rentmeester, een farizeeër, een tollenaar, een vriend, een zeker iemand die een schat vond, een koopman en vandaag: “Er was eens een rijk man….” En dan in een keer: “een arme die Lazarus heette…”

Dat is ongewoon. Dat is uitzonderlijk. De arme heeft een naam en de rijke, die naam heeft gemaakt bij de mensen, heeft geen naam. En wat voor een naam heeft die arme nog wel. Lazarus: God helpt. De arme had bij de mensen geen naam. Er waren “alleen honden die zijn zweren likten.”

De gelijkenis over de rijke en de arme Lazarus wil ons aan het denken zetten over onszelf. Waar staan wij in het leven? Zijn wij zoals de rijke, die in mooie kleding door het leven gaat en voor wie het leven een en al feest is, maar die tegelijkertijd het niet over zijn hart verkrijgt om aan een behoeftige zelfs datgene wat bij hem van tafel valt te geven? Jezus legt de nadruk op de rijke man, waarvan Hij de naam niet noemt, zodat het iedereen zou kunnen zijn.

In onze in het algemeen rijke westerse samenleving is het verontrustend, hoe velen er grote moeite mee hebben om te delen met oorlogsvluchtelingen. Huis en haard hebben deze mensen moeten verlaten en slechts met een beetje bagage en vaak met alleen nog de rijkdom van hun eigen leven staan ze aan ‘de deur’ en verlangen ernaar in vrede te leven. Om te mogen leven van wat hier nog van de tafel valt.

Gelukkig zijn er ook mensen die barmhartig hun hart laten spreken en zich oprecht inzetten voor hun medemens op de vlucht voor geweld, dood en verderf. Vele vrijwilligers helpen om vluchtelingen wegwijs te maken in onze samenleving.

Maar toch blijft het heel verontrustend hoeveel tegenstand en agressie er ten toon wordt gespreid, wanneer ergens een vluchtelingenopvang moet worden geopend.

Een andere vraag is: Valt er bij ons nooit wat van de tafel? Beginnen we maar bij de maaltijd zelf. Hoe komt alles bij ons op tafel? Is wat wij zo smakelijk opeten, niet de vrucht van de arbeid van vele arme mensen? In onze consumptiemaatschappij is het moeilijk geworden om de armen te zien. De echte armen wonen trouwens heel ver van ons af. Het zou kunnen dat wij er geen notie van hadden, als er geen krant, radio of teevee was. Maar nu worden we er dagelijks mee geconfronteerd. Ze worden tijdens de maaltijd mee op ons bord geserveerd. Zijn wij nog langer onschuldig? Houden wij nog langer vol dat de geest van onze tijd geen verderfelijke vat op ons heeft?

Nee, wij zijn geen eurocent beter dan de rijke van het evangelieverhaal. De economische wetenschap levert het overduidelijke bewijs van onze schuld. Onze rijkdom is gebouwd bovenop de grootste ellende van de arme. Wij kunnen er ons echt niet meer van afmaken met excuses als “ik wist het niet”.

Ik heb eens een gast gesproken die te gast was in een slotklooster, ergens ver weg, in een ander land. Aan het einde had hij nog iets te regelen met de poortzuster en hij raakte met haar in gesprek. Toen ze afscheid namen vroeg hij haar: En zuster, met wie heb ik gesproken? Ach, was het antwoord, mijn naam is niet zo belangrijk. Hij kreeg haar naam niet te horen, zelfs niet eens haar kloosternaam, die niet haar eigen naam was. Zelfs die kloosternaam was voor haar niet belangrijk, niet belangrijk genoeg om te laten weten wie ze was bij de mensen, om zo des te meer aandacht vrij te maken voor de naam van de God die zij diende, aan wie zij haar leven had toegewijd.

Hoe is dat bij Jezus? Is Jezus niet iemand die zelf afstand gedaan heeft van een grote Naam? Van een goede naam bij de mensen? Wil de naam Jezus eigenlijk niet zeggen: Joshua, God redt, is dat niet letterlijk de betekenis? Hij is Iemand die Zichzelf niet heeft willen redden, zijn gezicht niet, zijn goede naam niet, zijn eer niet. Hij heeft er afstand van gedaan. Waar mensen alles voor over hebben: een goede naam, aanzien, eer, daar heeft Jezus afstand van gedaan. Hij heeft afstand gedaan van zijn goddelijke majesteit, zijn heerlijkheid, zijn goddelijke naam, om gelijk te worden aan de mensen en wel aan de mensen zonder naam. Probeer het goed te vinden dat ze je niet kennen, dat ze je niet noemen, dat je eerloos bent, want dat is de weg om een naam te krijgen bij God! Zo gek is het dus nog niet om de naam te dragen: Naaktgeboren. Je komt naakt op de wereld en gaat er weer naakt vanaf.

1e lezing: Amos 6,1a.4-7; 2e lezing: 1Tim. 6,11-16; evangelie: Lucas 16,19-31
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Er was eens een rijk man die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde, terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag. Hij verlangde er naar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Ja, zelfs kwamen honden zijn zweren likken. Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen, sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham, en Lazarus in diens schoot. Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd. Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en op gelijke manier Lazarus het kwade; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd. Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat, zelfs als men het zou willen, van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen. De rijke zei: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen. Maar Abraham sprak: Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de doden opstaat.’