Nederlands | Français | English | Deutsch  
RSS feedTwitterTwitter

Preek van de week

(de preken worden door verschillende broeders in de abdij verzorgd)

 

 

 

 

 

Preek-archief

 

 

Preek van 22 maart 2015
Het evangelieverhaal van deze zondag luidt het tweede en definitieve deel in van het Johannesevangelie. ‘Het Boek van de verheerlijking’, zo heet het. Na het ‘Boek der tekenen’ die Jezus gesteld heeft volgt nu – in het tweede deel – de weg die uiteindelijk leidt naar zijn dood.

 

De dood als de bekroning omdat dit het hoogste teken is dat Hij kan stellen en dat niemand Hem ooit heeft nagedaan. Voor ons een ontzettend grote tegenstrijdigheid, want hoe kan zo’n afgrijselijke marteldood in godsnaam een hoogtepunt zijn? Hoe kan de Vader welbehagen vinden en verheerlijkt worden wanneer zijn geliefde en eniggeboren Zoon als een misdadiger gedood wordt? In het kleine evangeliefragment dat we zojuist gehoord hebben komen we nog een aantal tegenstrijdigheden tegen waarbij de ons vertrouwde werkelijkheid van betekenis verandert: sterven wordt leven, verliezen wordt winnen, de graankorrel moet sterven om zich te vermenigvuldigen. God is onbegrijpelijk en ook zijn Zoon is zo helemaal anders. Laten we daarom maar eerst naar dat merkwaardige begin van het verhaal teruggaan.

Merkwaardig, want beide delen van het Johannesevangelie beginnen met een ontmoeting die heel veel verwantschap vertoont. Beter gezegd, beide delen beginnen met eenzelfde vraag aan Jezus. Aan de oever van de Jordaan, waar Jezus’ openbaar leven een aanvang neemt, komen enkele leerlingen van Johannes de Doper naar Hem toe met de vraag: “Rabbi, waar houdt u uw verblijf?” (Joh 1,40vv). Vandaag – in Jeruzalem ten tijde van het Joodse Paasfeest – komen enkele vreemdelingen naar Jezus, Grieken met name, die willen Hem spreken. Letterlijk zeggen ze aan Flippus en Andreas: “Wij willen Jezus zien.” Het zijn niet-gelovigen of half-gelovigen. Vandaag zouden dit mensen kunnen zijn die niet geloven in een god maar wel overtuigd zijn dat er ‘iets’ is dat hen overstijgt. Aanhangers van het zogenaamd ‘iets-isme’.

En daarmee opent zich meteen de kern van dit korte verhaal. Want op het moment dat de Judeeërs plannen smeden om Hem te doden komen uitgerekend heidenen naar Hem. En opmerkelijk ook: niet Jezus komt naar hen maar zij komen tot Jezus. De grote wereld buiten het vertrouwde Israël komt naar Hem. Deze geïnteresseerden willen Jezus niet alleen maar spreken, ze willen Hem zién. Uit soortgelijke verhalen weten we zo stilaan dat ‘zien’ bij Johannes altijd het begin is van een mogelijk geloof. Geloven is een wijze van zien. Met een bekende boutade zouden we kunnen zeggen: “Kijken doe je met je ogen, zien doe je met je hart”. Welnu, voor Jezus is hun verlangen om te zien en te geloven hét teken uit de hemel dat zijn uur gekomen is. Het is zover: door zijn dood zal Jezus toegankelijk worden voor de heidenen. De verheerlijking begint. Tot dusver had hij telkens gezegd: “Mijn uur is nog niet gekomen” (Joh 2,4; 7,6.8.30; 8,20). Nu zegt Hij voor de eerste maal: “Het uur is gekomen.” En daarmee maakt Hij duidelijk wat ze zullen zien. Op het eerste gezicht zullen ze kijken naar een niet alledaags spektakel. Drie mannen die opgehangen worden op Golgotha en dan nog wel net vóór de grote Sabbath. Maar Jezus spreekt uiteraard over wat ze werkelijk zullen ‘zien’. Het verhaal van de graankorrel die in de aarde valt en pas vrucht voortbrengt wanneer hij sterft. Een levenservaring die hem ten diepste aan het hart ligt en die Hij in verschillende toonaarden ten gehore heeft gebracht. En nu is het uur aangebroken waarin Hij deze diepe levensbetrachting in daden zal omzetten. Het uur waarop heel de wereld moet zien en weten wat voor geesteskracht Hem bewogen heeft. Hoezeer Hij gelooft in wat Hij gezegd en gedaan heeft. Zijn dood zal daarvan een niet te evenaren getuigenis worden.

Wij, mensen, weten maar al te goed hoe ontzettend moeilijk wij het reeds hebben om iets los te laten, om te sterven aan het eigen ik. De woorden van Jezus, hoe bekend ook, blijven daarom altijd verrassend omdat wij ons al te vaak en veel te krampachtig aan het leven vastklampen. En niet enkel aan het leven, maar aan onze gedachten en denkbeelden die we met heel veel moeite in vroegere tijden eigen hebben gemaakt. Aan het eigen gelijk, aan de mening zelfs dat we het in ons gelovig leven bij het juiste einde hebben. Wie het leven krampachtig vasthoudt voor zichzelf, zegt Jezus, leeft wel, maar niet echt, niet ten volle. Hij leeft zeker niet naar Gods bedoeling. God wordt niet verheerlijkt in het volgen van de eigen wil. Want zijn ‘Naam wordt geheiligd en zijn Rijk komt” Pas dan wanneer ‘zijn wil geschiedt in de hemel en op aarde’. Wie het leven daarentegen uit handen geeft en het leven bij anderen doet zijn, die leeft tweevoudig: in zichzelf én in de anderen. Is er bij de drie andere evangelisten sprake van een worsteling tussen Jezus’ eigen wil en die van de Vader: “Niet mijn wil, maar uw wil geschiedde” (Mt 26,39; Mc 14,36; Lc 22,42) voor Johannes staat het vast dat de wil van Jezus en de wil van de Vader identiek en eensluidend is. Jezus doet altijd wat de Vader wil. En dat is op zich het uiterste teken van zichzelf loslaten. Hij heeft vanaf het begin slechts één wens gehad: het werk te volbrengen van zijn God en Vader die Hem gezonden heeft.

Golgotha wordt daarom de ultieme plaats zijn waar Gods wil volbracht zal worden. Gods wil is het namelijk dat zijn Zoon op die plaats is waar onschuldige en zelfs schuldige mensen terecht kunnen komen. Golgotha, de plaats waar Jezus nog elke dag opnieuw gekruisigd wordt. Golgotha, de plaats waar kinderen worden gedood, waar hulpeloze vluchtelingen van ellende omkomen, waar onschuldige Kopten voor het oog van de wereld worden onthoofd, waar een man in de dodencel, helemaal op zichzelf geworpen, tegen alle hoop, nog op gratie wacht, Waar de allerarmste paria’s op de vuilnisbelt van onze consumptiewereld naar resten van voedsel zoeken. God wil vooral dat zijn Zoon op die plaats is De plaats waar een mens in kleine daden van goedheid aan zichzelf sterft en een ander doet leven, waar een mens denkt: ‘Niet ik, maar Gij, God!’ en dit vertaalt in een daden van barmhartigheid. Tot al die mensen en tot ieder van ons zegt Jezus vandaag: “Ik zal buitengeworpen worden, en neerdalen tot in de diepste dood. Wanneer dat gebeurt zal Ik jullie allen tot Mij trekken.”

Ik moet daarbij denken aan het mooie beeld dat Jesaja gebruikt om de weg te tekenen die Gods woord maakt. Gelovend dat Jezus Gods Woord bij uitstek is krijgen deze profetische woorden nog een extra betekenis:
‘Zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen
en pas daarheen terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt,
haar hebben bevrucht en met planten bedek.
Wanneer zij zaad hebben gegeven aan de zaaier en brood aan de eter,
zo zal het ook gaan met mijn woord.
Het komt voort uit de mond.
Het keert niet vruchteloos naar Mij terug,
maar pas wanneer het heeft gedaan wat Mij behaagt
en alles heeft volvoerd waartoe Ik het heb gezonden.
Want in vreugde zult u vertrekken
en in vrede wordt u thuisgebracht.’ (Js 55,9-12).


Eerste lezing: Jer. 31,31-34, tweede lezing: Heb. 5,7-9, evangelie: Johannes 12,20-33
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Onder degenen die bij gelegenheid van het feest optrokken ter aanbidding waren ook enige Grieken. Dezen nu klampten Filippus van Betsaida in Galilea aan en vroegen hem: ‘Heer, wij zouden Jezus graag spreken.’ Filippus ging het aan Andreas vertellen en tenslotte brachten Andreas en Filippus de boodschap aan Jezus over. Jezus antwoordde hun: ‘Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort. Wie zijn leven bemint, verliest het, maar wie zijn leven in deze wereld haat, zal het ten eeuwigen leven bewaren. Wil iemand Mij dienen, dan moet hij Mij volgen; waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren. Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur? Maar daarom juist ben Ik tot aan dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam!’ Toen kwam er een stem vanuit de hemel: ‘Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken.’ Het volk dat er bij stond te luisteren zei dat het gedonderd had. Anderen zeiden: ‘Een engel heeft tot Hem gesproken.’ Maar Jezus sprak: ‘Niet om Mij was die stem, maar om u. Nu heeft er een oordeel over deze wereld plaats, nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen; en wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal ik allen tot Mij trekken.’ Hiermee duidde Hij aan, welke dood Hij zou sterven.