|
(de preken worden door verschillende broeders in de abdij verzorgd)
Preek van 7 maart 2010
3e zondag Veertigdagentijd
In deze Veertigdagentijd, zusters en broeders, zijn wij op weg naar Pasen: met Mozes trekken wij door de woestijn, met Israël zijn wij op weg tussen Egypte en het beloofde land en met Jezus en zijn leerlingen zijn wij onderweg naar
Jeruzalem, naar Goede Vrijdag en Pasen.
Uiteindelijk verbeelden deze verhalen, verbeeldt deze Veertigdagentijd de levensweg die wij gaan, die wij in ons leven te gaan hebben. Deze verhalen ‘zijn een les voor ons, dat alles heeft een diepe zin’, zegt Paulus. Het is goed dat wij van zondag tot zondag even samen halt houden om uit te rusten, om te kijken waar wij staan, waarheen wij op weg zijn, en om te zoeken naar antwoorden op al wat ons onderweg bevraagt.
Laten wij eerst opnieuw luisteren naar de drie lezingen van deze zondag. Want, zoals Mozes, en Israël en Jezus, maken ook wij van alles mee.
* Eerst zijn wij met Mozes in de woestijn vol onverstaanbare, onverklaarbare, mysterieuze dingen, vreemde verschijnselen: een brandend braambos dat toch niet opbrandt. En dan een geheimzinnige stem van een verre, heilige en ongenaakbare God, een God die ons toch zijn naam zegt. Vreemd én vertrouwd tegelijk, aantrekkelijk en fascinerend én onbereikbaar en schrikaanjagend. Zijn er ook in ons leven niet tegenstrijdige zaken die wij niet begrijpen? Komt God misschien ook op die wijze naar ons toe? Als één groot mysterie dat ons aantrekt én afschrikt?
* Of wij trekken zoals Israël door een woestijn: bevrijd uit het slavenhuis kwamen zij terecht in de woestijn, met honger en dorst, en vol twijfel omtrent de toekomst. ‘Komen wij hier ooit levend uit? Is Gods belofte geen fata morgana? Is dat beloofde land niet één grote illusie?’
Zij kwamen er toe om Mozes de schuld te geven van heel de onderneming, en zelfs Jahweh uit te dagen door zich af te vragen: “is die God nu in ons midden? Of toch niet?” (Ex.17,7). Kennen wij soms ook niet die woestijnervaring? Verward vragen wij ons af: “wat hebben ze ons ooit wijsgemaakt? Er lijkt geen toekomst meer. Wij zien het niet meer zitten”. Doemdenkerig kijken wij naar het verleden dat wij idealiseren. Wij gaan klagen en anderen de schuld geven.
* Als wij nu kijken naar wat Jezus en zijn leerlingen tegenkomen op hun weg naar Jeruzalem, dan kunnen wij daar ook over mee praten: over de terreuractie van Herodes en het instorten van die toren bij de Silóam, tot de aardbeving op Haïti met honderdduizend doden, de eindeloze reeks zelfmoordaanslagen sinds de aanslag op de Twin Towers, de treinramp bij Brussel nog maar een paar weken geleden, en opnieuw een aardbeving en een tsunami in Chili. Daarbij is er lijden dat mensen zichzelf aandoen, dat mensen elkaar aandoen, ongewild en soms ook gewild. Er is elke dag veel slecht, blijkbaar alleen maar slecht nieuws te melden.
Ik was een paar weken geleden met de auto onderweg. Ik luisterde naar het nieuws. Eerst ging het over de val van het kabinet in een sfeer van eindeloos geruzie tussen onze verantwoordelijke politieke leiders. Ik kreeg er genoeg van en drukte op de knop van Omroep Brabant in de hoop wat lichter verteerbaar nieuws te horen. Ik kwam terecht in een uitzending over de manifestaties in Reusel en Den Bosch naar aanleiding van het weigeren van de communie aan homo’s en lesbiennes. En op de koop toe kreeg ik ook nog de trieste berichten over seksueel misbruik in pastorale relaties door mensen van de kerk in de jaren ’60 en ’70. Ik zette de radio maar af. Ik mijmerde in stilte verder over alle ellende in kerk en wereld. In welke wereld, in welke kerk leven wij eigenlijk?
Dat alles stelt ons, op weg door de woestijn van deze Veertigdagentijd, op weg door het leven, veel vragen: ‘waarom doen mensen zulke vreemde en pijnlijke dingen? Waarom doen zij dat zichzelf en ook elkaar aan? Waarom overkomen onschuldige mensen zulke natuurrampen? Wie is er aansprakelijk? Corrupte architecten? Sjoemelende ambtenaren? Slordige veiligheidsmensen? De ‘kool en geit-sparende’ bestuurders? Waar ligt ónze schuld of/en ónze verantwoordelijkheid? Is alle ellende dan toch een straf van God?’
Maar achter al deze vragen is de meest indringende vraag die dat alles ons stelt, de vraag naar God. “Wat heeft God ermee te maken? Wat doet Hij? En wat doet Hij niet? Wat kan Hij? En wat kan Hij blijkbaar niet? Wat mogen wij van Hem verwachten? Hebben wij Hem nog nodig? Waar is God te midden van alle ellende? In Auschwitz? Wie is die God van wie de Schrift zegt dat Hij met ons, zijn mensen, meetrekt? Wie is die God die wij met Jezus ‘vader’ mogen noemen?
Het zijn vragen waarop de hele mensengeschiedenis door geen afdoende antwoord op gevonden lijkt. Alsof wij steeds weer deze vragen moeten stellen en er elke keer opnieuw het antwoord op moeten uitvinden. Wie is God? En hoe is Hij aanwezig in onze mensengeschiedenis? Deze vragen raken de kern van ons geloof.
De kleine parabel op het eind van het evangelie van vandaag over de onvruchtbare vijgenboom geeft ons het antwoord op al onze Godsvragen. Aan die vijgenboom komen al drie jaar lang geen vruchten. Hij staat daarbij ook niet op zijn plaats, een vijgenboom in een wijngaard! Onaangepast, een storend element! “Ik zal hem omhakken”, zegt de eigenaar, “hij dient nergens meer voor”. “Neen”, zegt de tuinman, “laat hem dit jaar nog staan. Geef hem nog een kans. Je weet maar nooit”. Deze tuinman is Jezus zelf. Hij heeft waarschijnlijk geen verstand van fruitbomen, maar wel van mensen en Hij weet uit ervaring wat zorg en aandacht en geduld vermogen.
Met deze parabel brengt Jezus ons heel dicht bij het geheim van God. God is een God van aandacht en zorg en geduld. We hoorden dat ook in de eerste lezing van vandaag. Zo maakt God zich bekend aan Mozes: “Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord. Ik ken zijn lijden. Ik daal af om mijn volk te bevrijden en om het te leiden naar een land dat goed en ruim is, een land van melk en honing”. De heilige God die in het verleden mensen een nieuwe toekomst heeft gegeven, de God voor wie je je schoenen uit moet doen, de God die wij ontmoeten diep de woestijn … die God legt zich niet neer bij de ellende van zijn mensen, die God duldt niet dat de één de ander als slaaf behandelt, die God keert zich tegen al wat mensonwaardig is. Daarom is zijn naam “Ik ben die is”. Het betekent zoveel als “Ik ben er bij. Ik ben erbij in elke concrete situatie waarin mensen verkeren, nabij en betrokken en zonder opdringerigheid”. In al wat gebeurt, in al wat ons overkomt, in geluk en ongeluk, is Hij aanwezig. “Zijn goedheid is te groot voor het geluk alleen, Hij gaat in alle nood door heel het leven heen”.
God laat de mens niet los, ook niet in het Golgota van zijn bestaan. Ziekte en honger, armoede, eenzaamheid en pijn, het zijn geen straffen van God. God straft niet. Vroeg of laat straft het kwaad altijd zichzelf. Ook de dorre en onvruchtbare vijgenboom krijgt nog een kans. Er is een laatste kans voor iedereen, ook voor ieder van ons, wie wij ook zijn. Welke scheve schaats we ook in ons leven gereden hebben. Daarom is het toch niet zo moeilijk ons tot zo’n God te bekeren! Daarom mogen wij in vertrouwen de weg verder gaan, doorheen deze Veertigdagentijd, doorheen ons leven. Wij hebben wel veel vragen. Maar wij hebben ook een antwoord. Want wij weten, dat God met ons meegaat als de God wiens naam is “Ik ben er altijd bij”, als een geduldige, zorgzame en liefdevolle God. Amen.
eerste lezing: Exodus 3, 1 - 8b, 13 - 15; tweede lezing: 1 Kor. 10, 1- 6, 10 - 12; evangelie: Lucas 13, 1 - 9
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Juist in die tijd waren er bij Jezus enkele mensen die Hem vertelden van de Galileeers, wier bloed Pilatus met dat van hun offerdieren vermengd had. Daarop zei Hij: Denkt ge, dat onder alle Galileeers alleen dezen zondaars waren, omdat zij dat lot ondergaan hebben? Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen. Of die achttien die gedood werden, doordat de toren bij de Siloam op hen viel: denkt ge dat die alleen schuldig waren onder alle mensen die in Jeruzalem woonden? Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij niet tot bekering komt, zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen.’ Hij vertelde nu deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgeboom die in zijn wijngaard geplant stond; hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets. Toen zei hij tot de wijngaardenier: Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgeboom vruchten zoeken, maar ik vind er geen. Hak hem om: waartoe put hij nog de grond uit? Maar de man gaf hem ten antwoord: Heer, laat hem dit jaar nog staan; laat mij eerst de grond er omheen omspitten en er mest op brengen. Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht; zo niet, dan kunt ge hem omhakken.’
|