Nederlands | Français | English | Deutsch  
RSS feedTwitterTwitter

Preek van de week

(de preken worden door verschillende broeders in de abdij verzorgd)

 

 

 

 

 

Preek-archief

 

 

Preek van 8 september 2013
23e zondag door het jaar

Broeders en zusters. Als er voor mijzelf nu een moeilijk schriftgedeelte is, dan is het wel Lucas hoofdstuk 14, vers 25 tot en met 33.

 

Op de kleuterschool, later op wat toen nog de lagere school heette, en vervolgens de Mulo werd het er door zusters en broeders als het ware ingeramd: je mag niet haten. Op de allereerste plaats geen mens, maar het ging bij hen nog verder: het woord 'haten' had gewoon geen bestaansrecht voor een christen. En dat staat hier vanmorgen: wie zijn ouders, zijn broeders en zusters niet haat, ja zijn eigen leven niet haat die kan mijn leerling niet zijn. Dus lijkt het of ik tot haat wordt opgeroepen om dichtbij Jezus en daardoor bij zijn Vader te kunnen zijn. Waar blijft dan de naastenliefde, waar is de barmhartigheid van God? Je ouders en je broers en zussen zijn toch je meest dierbaren. En ook al is de relatie in een aantal gevallen niet goed. Toch blijf dat de bloedband, hoe lastig je het ook met je opvoeding kan hebben gehad, altijd blijft en soms sterker trekt dan de beste vriendschapsbanden.

Als we met dat wat Jezus ons vraagt te doen kijken naar de wereld van vandaag, waar zoveel haat en verdeeldheid is, waar de haat er soms zelf tussen buren afdruipt, dan kunnen we ons alleen toch maar uitroepen: hoe is het in werkelijkheid in Godsnaam mogelijk? Want het is Jezus die leeft vanuit de tien geboden, waarin toch zwart op wit staat: eert uw vader en uw moeder. Hij gaat nog verder door de tien geboden, ja zelfs de hele Thora samen te vatten in twee geboden. Als eerste: Heb God lief en daaraan gelijk: heb uw naaste lief gelijk uzelf.

We hebben gisteren niet voor niets een gebedswake gehouden, opgeroepen door paus Franciscus, om een militaire interventie in SyriŽ te voorkomen, want het geeft alleen nog maar meer ellende, een spiraal van geweld, met generaties lang haat. Een laten we ook niet vergeten dat die hoopvolle Arabische lente op veel plaatsen is verworden tot een Arabische nachtmerrie. Het lijkt of we verder weg bij af zijn dan voorheen. 'Haat', het is een woord dat niet zou moeten bestaan en toch komt het veel voor in de bijbel en nu vanmorgen neemt Jezus het in de mond. Ik zou zeggen: choquerend. De wereld heeft heel veel nood aan liefde en dat heeft Jezus toch voortdurend gepreekt.

Er moet iets anders achter zitten. Een woord, ook een bijbels woord kan langzaam van betekenis veranderen en we moeten het in de context plaatsen waarin het thuis hoort. 'Haten' komt in een koptische tekst van dit Schriftgedeelte voor. Het Aramees, dat Jezus sprak, maakt het al veel milder en begrijpelijker. De betekenis gaat in de spreektaal van Jezus niet verder dat opzij zetten, aan de kant schuiven. Zou Jezus ons met zijn woorden niet eens flink wakker willen schudden? Wil hij ons niet wijzen waar het in de kern van de zaak werkelijk omgaat, en zijn we al niet zo hardleers geworden dat we het ook nodig hebben om zo opgeschud te worden? Jezus is radicaal, en dan niet in de negatieve zin van een soort radicaal fundamentalisme. Het gaat er Jezus om dat we niet half kiezen, in de trant van: ik word lid van het zangkoor en ik zie wel of ik op de repetities kom als het me uitkomt. Nee, het is Jezus te doen om een radicalisme van het soort: als je er voor kiest mij te volgen, mijn leer trouw te zijn die leidt naar God de Vader dan kan dat niet voor vijftig procent. Dan is dat voor honderd procent en onvoorwaardelijk.

Dat betekent dan ook radicaal breken met oude patronen en gewoontes. Dat betekent loslaten, opzij schuiven, van het veilige wereldje van alleen maar gezin en familie en de boze buitenwereld buitensluiten. Het betekent niet dat je je ouders aan de kant moet zetten en je broers en zussen tegelijkertijd, maar dat je ook en vooral die ander moet binnenlaten in je leven. Het is zoals paus Franciscus het ons al verschillende keren heeft voorgehouden. Je naaste die je liefde nodig heeft, vind je niet naast je op de bank in de kerk, maar op de straten en de sloppenwijken, daar wordt geleden en daar hebben we noden te lenigen. Die radicaliteit vraag Jezus van ons, en dan kan je je gezin, je familie als veilig bakermat gebruiken om vandaar verder te trekken, de arme, de gebroken, de kwetsbare tegemoet, om te troosten en te helpen, want daar verandert haat in goed en daar is God. Je kunt geen parttime christen zijn. Je bent het in alles, ervan doordesemd. Langs de kant van de weg die wij in het volgen van Jezus gaan gebeurt er van alles.

Er zijn momenteel prachtige initiatieven gaande. Zij komen niet vanuit de centrale overheid, maar komen op vanuit mensen die zijn gaan aanvoelen dat het zo niet verder kan. Er wordt steeds beter aangevoeld dat de economie niet meer iets is van 'wie heeft het meeste', maar van 'hoe delen we zonder Gods schepping nog verder uit te kleden'. Je koopt geen auto meer in de stad, maar zoekt iemand in de buurt waar je hem een paar uurtjes van kan lenen. Je koopt geen boor meer, die uiteindelijk maar tien minuten van zijn levensduur wordt gebruikt maar je kijkt op internet wie in de buurt een boor heeft en vraagt of je hem even kan lenen. Ketens worden door klanten gedwongen kleding in te kopen, gemaakt voor een eerlijke prijs, tegen een fatsoenlijk salaris en niet het product van kinderarbeid. Wij mensen vormen die radicale wereld die Jezus bedoelt en wachten niet meer op zogenaamde sociale projecten van de overheid, omdat we zuinig willen zijn op wat ons in bruikleen is gegeven. Daarin willen we delen en daarin vinden we Gods bedoeling met mens en schepping terug. En dan mogen we zeggen dat haten, het opzij schuiven van bepaalde kwalijke praktijken, wel op zijn plaats is.

eerste lezing: Wijsheid 9,13 - 18b; tweede lezing: Filemon 9b - 10.12 - 17; evangelie: Lucas 14,25 - 33.
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd trokken talloze mensen met Jezus mee. Hij keerde zich om en zei tot hen: "Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn. Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn. Als iemand van u een toren wil bouwen, zal hij dan niet eerst ervoor gaan zitten om een begroting te maken of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien? Anders zou het hem kunnen overkomen - als hij de fundering heeft gelegd en niet in staat is het werk te voltooien - dat allen die het zien hem gaan bespotten en zeggen: Die man begon te bouwen, maar hij was niet in staat het einde te halen. Of welke koning zal - als hij tegen een andere koning ten oorlog wil trekken - niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is om met tienduizend man het hoofd te bieden aan iemand die met twintigduizend man tegen hem optrekt? Zo niet, dan stuurt hij, als de tegenstander nog ver weg is, een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden. Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit."