Nederlands | Français | English | Deutsch  
RSS feedTwitterTwitter

Trappist worden

In zijn Regel voor monniken schrijft Benedictus, de grondlegger van het westers monnikendom: “Wanneer een nieuweling zich voor het monniksleven komt aanmelden, mag hem de intrede niet gemakkelijk gemaakt worden.” En hij voegt er aan toe: “Beproef de geesten, of ze uit God zijn.” Dat laatste betekent in gewoon Nederlands dat aan de definitieve opname in de monniken-gemeenschap een zorgvuldige procedure vooraf gaat.

 

Diep verlangen

De belangrijkste voorwaarde om monnik te worden is een diep verlangen om God te zoeken in het gemeenschapsleven van een klooster. Kandidaten moeten jonger zijn dan vijftig jaar, ongehuwd en rooms-katholiek of bereid dat te worden. Verder mogen ze geen financiële verplichtingen hebben en zowel psychisch als fysiek in een redelijke conditie verkeren. Er is geen speciale studie of opleiding voor het trappistenleven vereist.

 

Oriëntatiefase

De weg naar een volledige opname in de abdijgemeenschap verloopt in fasen. Eerst zijn er oriënterende gesprekken om erachter te komen of de kandidaat voldoende gemotiveerd is en of hij het kloosterleven geestelijke en lichamelijk wel aan kan. Meestal verblijft de kandidaat regelmatig in het gastenverblijf. Deze oriëntatiefase kan een paar maanden duren, maar ook enkele jaren. Aan het eind van dit traject wordt in overleg met de leiding van de abdij een datum van ‘intrede’ bepaald.

 

Postulaat en noviciaat

Eenmaal ingetreden, leeft de kandidaat minimaal een half jaar zo veel mogelijk met de gemeenschap mee om vertrouwd te raken met het ritme ervan. Deze periode heet ‘postulaat’. De ‘postulant’ krijgt begeleiding van een ‘novicenmeester’, een monnik die speciaal zorg draagt voor nieuwkomers.

Besluiten beide partijen na het postulaat om verder te gaan, dan vindt de ‘inkleding’ plaats, waarbij de postulant het habijt ontvangt. Hij begint dan aan een proeftijd van twee jaar, het ‘noviciaat’. In deze periode vindt de eigenlijke vorming van ‘novice’ tot monnik plaats. Hij krijgt een basisopleiding met onder meer aandacht voor de kernthema’s van het kloosterleven en voor de spiritualiteit en de geschiedenis van de orde.

 

Geloften

Na het noviciaat van twee jaar vraagt de novice om toelating tot de ‘tijdelijke geloften’ (‘kleine professie’). De abt raadpleegt de novicenmeester of dit verantwoord is. Oordeelt deze positief dan volgt er een voordracht aan de klooster-gemeenschap, waarover wordt gestemd. De meerderheid van de monniken moet met de voordracht instemmen, wil de novice verder kunnen.

Bij de tijdelijke geloften belooft de novice drie dingen: ‘stabiliteit’ (binding aan de kloostergemeenschap), ‘gehoorzaamheid’ (aan God, aan de abt en aan de medebroeders, waarbij ‘luisteren’ en ‘respect’ centraal staan) en ‘monastiek levensgedrag’ (soberheid, oprechtheid, zwijgzaamheid en zuiverheid oftwel celibatair leven; volledig openstaan om God toe te laten). Na het afleggen van de tijdelijke geloften krijgt de novice drie jaar lang verdere vorming, verricht hij lichte werkzaamheden en krijgt hij bepaalde verantwoordelijkheden.

Als deze periode voor beide partijen goed is verlopen, komt de kloostergemeenschap bijeen en vraagt de kandidaat of hij definitief opgenomen mag worden in het klooster. Stemt de meerderheid hiermee in, dan vindt het afleggen plaats van de ‘eeuwige geloften’ (‘grote professie’). De kandidaat belooft hetzelfde als bij de tijdelijke geloften, maar nu voor de duur van het hele leven. Mail voor meer informatie

 

  

> naar boven