Preek van 17 maart 2019

2e zondag in de Veertigdagentijd

Dierbare broeders en zusters, iedereen viert op zijn eigen manier Vasten. Misschien verbaast u het woord ‘vieren’. Maar het is toch een zaligheid om je een aantal weken voor te nemen om je wat af te sluiten of iets te ontzeggen waardoor er ruimte komt die vrijheid biedt. En gelukkig hebben we niet meer dat wijzende vingertje. We maken onze eigen afweging en kiezen dan om eventueel iets te laten of juist te doen, met het beeld voor ogen om de wereld mooier te maken.. Maar het kan ook andersom. Ik heb eens een religieuze meegemaakt die zo streng was voor zichzelf, dat haar novicemeesteres haar opdroeg elke middag bij de lunch een biertje te nemen. Een wijze novicemeesteres. Vasten is geen tijd van elkaar de maat nemen, maar van mildheid waar mijn omgeving beter van wordt.
Eén van mijn oefeningen is om niet toe te geven aan mijn gretigheid het nieuws te volgen. Maar toch ben ik niet streng voor mezelf. Soms slipt er iets tussen door wat we mij fascineert, omdat ik al een keer de lezingen van deze zondag had doorgenomen. De Nederlander, over alle leeftijden verdeeld, heeft een chronisch slaaptekort. Deels is het te wijten aan het feit dat we zoveel tot ons krijgen dat we het haast niet meer verwerkt krijgen. Daardoor hebben we nog een deel van de avond en het begin van de nacht nodig om het te laten neerdalen, een onnatuurlijk gegeven. Ons natuurlijk levensevenwicht lijdt onder de algoritmes die ons leven bepalen. We geven het zelf te makkelijk uit handen.
We hebben vanmorgen twee prachtige verhalen. Zowel in de eerste lezing als in het evangelie worden wijze mannen op een natuurlijke wijze door de slaap overvallen. Er is geen verzet, zij geven zich over. Abram - nog zonder de ‘ha’ ertussen want het verbond is nog niet gesloten - werkt zich in het zweet om de roofvogels te weren van wat voor God bedoeld is. Hij heeft een aantal offerdieren doormidden gesneden en wat gescheiden is moet weer heel worden. Het is een prachtige metafoor voor hoe de ideale relatie met God eruit zal zien. Van vermoeidheid valt hij in slaap. Hij geeft zich over aan deze natuurlijke slaap. Een tweede groepje mannen valt in slaap. Zij zijn zich niet bewust van wat zich gaat voltrekken en kennen dus klaarblijkelijk geen opwinding om niet toe te geven aan een natuurlijke slaap.
In beide verhalen voltrekt zich iets bijzonder verlichtends. Tussen de in tweeën gesneden offerdieren trekt een vurige fakkel. God trekt door het midden en brengt wat verdeeld is bijeen. Deze eenheid staat voor de eenheid van God en mens. Het verbond met Abraham is gesloten en legt de relatie onder het vervolg van de menselijke reis die God en de mens in de toekomst samen zullen gaan afleggen. Er vindt ook een naamsverandering plaats. Het woordje ‘ha’ wordt in de naam van Abram toegevoegd: zijn nieuwe naam wordt Abraham. Vreemd dat het midden in de naam wordt opgenomen, want ‘ha’ is een soort lidwoord dat eigenlijk in het Hebreeuws niet bestaat. De Bijbel begint met beresjit, dat betekent: in het begin of in een begin. Hier is het ‘ha’ weggelaten, terwijl het voor ons onmogelijk is om het zonder lidwoord te vertalen zonder dat heel archaïsch wordt. Toch zie ik er een verbinding in. Door de naamsverandering wordt Abraham met terugwerkende kracht aan de hele schepping gekoppeld. Daar begint al de voorbereiding voor het op handen zijnde verbond: Abram wordt dé Abram.
De drie slapende heren in het evangelie zijn getuigen van een hernieuwing van dat verbond. Het Oude en Nieuwe Testament worden aaneengesmeed. Mozes en Elia, de steunpilaren, ontmoeten God in zijn Zoon. Niet in de vorm van de persoon op de berg, Mozes, of in de verlatenheid van de woestijn, Elia. Een nieuwe generatie, leerlingen van Gods zoon, worden geïnitieerd. Maar het voltrekt zich in hun slaap voordat zij het feitelijk onder ogen te zien krijgen. God smeedt in beide verhalen zijn verbond met de mens, waarbij het initiatief volledig van zijn kant komt. De mens hoeft niets te doen dan enkel de omarming van Gods kant om zich heen te laten gebeuren. In deze 2e week van de Vasten wordt ons prachtige hoopvolle toekomstperspectieven gegeven die niets zeggen over strenge boetvaardigheid maar over onvoorwaardelijke Goddelijke trouw.
Ik zat drie weken geleden met 3 anderen ergens te wachten op een bankje. Alle vier zaten we op onze smartphone te werken. De communicatie beperkte zich tot een afgemeten: “Goedemorgen”. Naast me zat een man die ik begin tachtig schatte. Een beetje schichtig keek ik met hem mee: hij zat te gamen. Ik stopte mijn telefoon snel weg. Er is zoveel gemis aan contact. Een vastenperiode leent zich daar uitstekend voor. We hoeven niets in te leveren en het kost ook niets. Het werd me heel duidelijk toen ik een Nederlandse moslim in tranen zag uitbarsten naar aanleiding van de gruwelijke aanslagen in Nieuw-Zeeland. Hij bleef maar roepen: “wanneer stopt het nu een keer?” Op grond van een geloofsovertuiging worden mensen in het wilde weg neergeknald, nu tijdens de eredienst.
De schriftlezingen van vandaag gaan juist over wat Joden, Moslims en Christenen gemeen hebben. De drie godsdiensten leven uit onze zelfde verhalen met als thema: God en het verbond dat het God is die verbindt: God die relaties herstelt, God die de mens als partner wilt. Hij heeft daar geen specifieke geloofsovertuiging aangekoppeld, en Mozes en Elia zijn gemeenschappelijke grote helden. Abraham is onze gemeenschappelijke oervader. Laten we voor elkaar opkomen. Laten we elkaar vasthouden. Een aanval op een broedergeloof is ook een aanval op ons geloof. God gaat als een brandende fakkel ook tussen ons door om eenheid te bewerkstelligen. Ik zag dat beeld terug bij een Nieuw-Zeelandse Maori, die een rouwritueel uitvoerde. Hij danste ritueel op het midden van de weg en had veel weg van Abram die de roofvogels verjoeg, die het kwaad te lijf ging om wat verdeeld en gebroken is bijeen te brengen. ‘Een aanslag op de één is een aanslag op allen’, zegt de Joodse traditie. Laat ons om elkaar heen staan zoals dat op veel plaatsen in Moskeeën in Nederland gebeurt zonder te kijken naar geloofsafkomst. Gevoed door de heilige teksten van het Verbond komen wij U biddend tegemoet.

1e lezing: Gen. 15, 5-12, 17-18; 2e lezing: Fil. 3, 17 – 4, 1; evangelie: Lucas 9, 28b-36.
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd nam Jezus Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee en besteeg de berg om er te bidden. Terwijl Hij in gebed was, veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit. En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek; het waren Mozes en Elia die in heerlijkheid verschenen waren en spraken over zijn heengaan, dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken. Petrus en zijn metgezellen waren intussen door slaap overmand. Klaar wakker geworden zagen zij zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden. Toen dezen van Hem heen wilden gaan, zei Petrus tot Jezus: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ Maar hij wist niet wat hij zei. Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde. Toen de wolk hen omhulde, werden zij door vrees bewogen. Uit de wolk klonk een stem die sprak: ‘Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem!’ Terwijl de stem weerklonk, bevonden zij dat Jezus alleen was. Zij zwegen er over en verhaalden in die tijd aan niemand iets van wat zij gezien hadden.

deel dit artikel


Meer interessante pagina's

Deze website gebruikt cookies

Wij gebruiken cookies zodat onze website beter werkt voor onze bezoekers. Daarnaast gebruiken wij cookies voor analytische doeleinden. Voor meer informatie verwijzen wij u naar ons cookiebeleid en onze privacy policy

Weigeren Accepteren