Preek van 07 december 2014

Tweede zondag van de Advent 

Het begin van deze adventstijd is een uitgelezen moment om de roeping tot, en de betekenis van het kloosterleven te overwegen.

Zo hoorden we vorige week dat geloven begint met wachten en waakzaamheid, met aandacht en oplettendheid, met voor zich uitkijken en uitzien naar de wederkomst van Christus. Geloven is zien wat er rondom te gebeuren staat, is wakker zijn en klaar staan om Christus te herkennen in de ander En vandaag horen we uit de mond van Johannes dat geloven een voortdurende bekering behelst. Een terugkeer is naar het rechte pad van weleer en beseffen dat niet ik, maar Hij die na mij komt sterker is dan ik en dat ik een bode ben, in dienst van zijn uiteindelijke Rijk. 

In een bijlage van het dagblad Trouw las ik afgelopen weekend een sterk interview met Peter van Uhm, voormalig Commandant der Strijdkrachten. Alleen reeds de tussentitels kunnen in een aangepaste hertaling van hem een boegbeeld maken voor het leven van een kloosterling: 'Kijk vooruit, niet achteruit' - 'Sta achter je opdracht' - 'Laat je op je vingers tikken' - 'Zichzelf en anderen vormen tot betere mensen'. Wat hem boven alle versierselen, eretekens en hoogste decoraties heen deed uitsteken tot de adeldom was tegelijk het diepste leed dat hem kon overkomen. Hij zegt ondermeer het volgende: "De dag na mijn benoeming als Commandant der Strijdkrachten werd de zwaarste in mijn leven. Die ochtend kreeg ik te horen dat mijn zoon Dennis in Afghanistan door een bermbom was gesneuveld. Op zo'n moment schudt je leven op zijn grondvesten. Maar door erover na te denken, dwars door mijn immens verdriet heen, wist ik waar ik voor stond. Ik had destijds voor de krijgsmacht gekozen, Ik zou die nu niet verlaten. Juist nu niet. Het ging nu niet om mij, maar om mijn missie. Ik wilde het moreel van mijn troepen niet ondermijnen, door ze in de steek te laten. Dennis en ik hadden voor hetzelfde doel gekozen: De wereld beter maken via de krijgsmacht. De dood van Dennis heeft me in die keuze bevestigd en me sterk gemaakt om vooruit te kijken." Voor mij een voorbeeld van wat wij, monniken, als echte gehoorzaamheid en stabiliteit beleven. 

Ook al spreken we vandaag gemakkelijker over het klooster- of het religieus leven, en klinkt het oudere woord 'godgewijd' of in het Latijn 'vita consecrata' wat archaïsch, toch legt dit laatste - omwille van zijn passieve vorm - het accent op iemand die gewijd wórdt om zich totaal aan God toe te wijden. Het gaat dan om een mens die een 'antwoord' geeft op een persoonlijke uitnodiging van God. Net als eertijds de inwoners van Judea en Jeruzalem naar Johannes trokken en zich door hem lieten dopen, net zo werd ook ieder van ons op een bepaalde dag gedoopt. En net zo wordt iemand opgenomen als broeder of zuster in een gemeenschap. Hoe vreemd het ook mag klinken, niet de doopleerling of de geroepene is de hoofdpersoon maar God. God neemt, zonder dat wij dit aanvankelijk goed beseffen, het initiatief. En opdat wij ons dit elke keer opnieuw zouden herinneren tekenen wij ons bij het binnenkomen van een kerk met het doopwater, spreken wij straks de geloofsbelijdenis uit en hernieuwen wij jaarlijks in de paasnacht onze doopbelofte, ons antwoord op Christus' verlossing en daarom het hoogtepunt van de paaswake. Het lijkt allemaal wel heel evident en aanvaardbaar en toch is het de sleutel om te begrijpen waar het in het godgewijde leven om gaat. Een vrouw of man die opgenomen wordt en zijn of haar professie uitspreekt, hernieuwt op dat moment de doopbelofte maar wel op een meer uitdrukkelijke en tegelijk ook concretere wijze. En die belofte is niet min want daarmee ziet een mens af van de beschikking over zijn eigen bestaan en verbindt hij zich om tot aan de dood in gemeenschap te leven met doodgewone medemensen. Op zich is dit een heldendaad want het is vandaag een zeldzaam gebeuren. In elk geval vrij ongewoon in een tijd waarin trouw schaars is en hoogstaande morele waarden weinig aandacht krijgen. 

Maar dat 'ja' is wel een ántwoord, het is geen verplichting die zij/hij op zich neemt. Wanneer de Heer iemand roept, moet een mens dit heel persoonlijke en unieke woord van de Heer geleidelijk in zich opnemen en het op zijn unieke wijze beantwoorden. Soms hebben we daar een heel leven voor nodig. Dit godgewijd leven en het duidelijkst nog in zijn het monastieke vorm wordt daarom vaak vergeleken met een tocht door de woestijn. De plaats waar men gemakkelijk kan vallen, de richting kwijtraakt, het eindpunt uit het oog verliest. Sommigen bezwijken dan ook voordat het uiteindelijk het doel is bereikt. Maar op een zeker punt komt er voor iedereen de duisternis wanneer men niet meer weet hoe en waarom men verder zal gaan. Wie daar doorheen gaat zal achteruit kijkend in zijn levensspiegel beseffen dat God hem precies in deze moeilijke doortocht heeft gedragen. Dat hij het nooit uit zichzelf alleen had gekund. En dat levensbesef alleen reeds is de moeite om er zijn leven aan te wijden. De Britse kardinaal Basil Hume, benedictijner monnik en aartsbisschop van Westminster, schreef ooit het volgende: "Wij, monniken, hebben in de kerk geen taak of bijzondere functie. We hoeven de loop van de geschiedenis niet te veranderen. Menselijke gezien zijn we er bijna toevallig. We zijn er, dat is alles, en gelukkig gaan we door om 'er te zijn'." En daarmee geeft dit teruggetrokken leven van monniken aan dat Gód er is en dat Hij de komende is. 

De zin van hun leven ligt immers niet in al wat voorbijgaat: niet in kinderen, in een carrière, noch in succes of promotie. Op de keper beschouwd heeft dit leven geen enkel nut. Maar daardoor openbaart het juist de diepste zin van elk menselijk leven. Dat het 'zijn' belangrijker is dan het 'doen' of het 'hebben'. Of om het met de woestijnwoorden van Jezus te zeggen: "Een mens zal niet leven van brood alleen maar van elk woord dat uit de mond van God komt" (Mt. 4,4b). Er zijn, aanwezig zijn, bereikbaar zijn, solidair zijn, afdalen en naast iemand gaan staan om deze op te tillen … het duidelijkste teken van deze aanwezigheid is wel wanneer iemand uit liefde voor de mensen om hem heen weigert de plaatsen van dood en geweld te verlaten. Wanneer iemand kiest voor de liefde boven het zelfbehoud. Dat is een keuze voor de uiterste consequentie van het gegeven 'ja'-woord. De film Des hommes et des dieux over het leven van onze ordebroeders van de Atlas (Algerije), en dichter nog bij ons, het leven en de dood van pater Frans van der Lugt sj in Aleppo (Syrië) heeft aan gelovigen zowel als aan ongelovigen getoond dat de liefde sterker is dan de dood. Zo'n antwoord is dan ook slechts mogelijk wanneer men dag na dag heeft geleerd om af te sterven aan zichzelf en te verrijzen met Christus. Dierbaren, deze overweging heeft iets langer geduurd dan normaal. Naast een overweging wil het ook een eerbetoon zijn, vooral dan aan de vele oudere kloosterlingen onder ons die weliswaar niet meer in staat zijn om hun liefde handen en voeten te geven maar die in stille trouw levende monumenten zijn van Gods liefde voor deze wereld. Het wordt mooi verwoord in de meditatie van Frère Roger van Taizé en in het gebed van Toon Hermans dat u op de achterzijde van uw boekje vindt en dat je thuis in de stilte van uw hart in je kunt opnemen. 

Er zijn mensen die met inzet van eigen leven laten zien dat de mens niet tot hopeloosheid is gedoemd. Zijn wij één van hen? Hoe weinig toegerust wij daartoe ook zijn, wij worden opgeroepen om door onze manier van leven, een mysterie van hoop om ons heen te verspreiden. Frère Roger van Taizé 

Heer, Wat moet ik doen? Het mysterie van de eeuwige God gaat mijn verstand te boven. Ik kan er geen zinnig woord over zeggen. Wie dat wel? Ik houd mij vast aan de man van Nazareth die in zijn onbaatzuchtige liefde door zijn Woord door zijn leven en door zijn lijden voor ons de bedoelingen van een eeuwige God gestalte heeft gegeven. Toon Hermans 

eerste lezing: Jesaja 40,1-5.9 - 11; tweede lezing: 2 Petrus 3,8 - 14; evangelie: Marcus 1,1 - 8. 
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978: 
Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God. Zoals er geschreven staat bij de profeet Jesaja: "Zie, Ik zend mijn bode voor u uit die voor u de weg zal banen; een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht." Zo trad Johannes op in de woestijn en doopte; hij preekte een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden. Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. Johannes ging gekleed in kameelhaar met een leren gordel om zijn lendenen; hij at sprinkhanen en wilde honing. Hij predikte: "Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest."

 

deel dit artikel


Meer interessante pagina's