Preek van 1 oktober 2017

26e zondag door het jaar

In 1983 werd in Hillegersberg/Schiebroek, waar ik een gedeelte van mijn jeugd gewoond heb, een negental jaknikkers geplaatst en zo werd hier begonnen met het oppompen van de olie met de jaknikkers. In totaal hebben de jaknikkers 26 miljoen vaten olie opgepompt.
Dit woord “jaknikkers” heeft een negatieve klank gekregen en gaat over mensen die de eigen mening niet uitspreken. Bijvoorbeeld: “Dat bestuur zit half vol met jaknikkers.”
En dat komt in de praktijk nogal eens voor. Want stel je voor dat de baas bij je komt en zegt: “Hr. of mw. Janssen vindt U ook niet dat we hier voortaan….”. en dan moet er natuurlijk iets veranderen op de werkplek. Ik denk dat we toch gauw geneigd zijn om zijn vraag positief te beantwoorden met jaknikken.
Of thuis je man of je vrouw, al naar gelang wie de broek aan heeft, wil iets veranderen in het poetsschema of in de inrichting van het huis. Natuurlijk zul je daar met een positieve instelling naar luisteren - en ik vraag me af hoeveel mensen niet klakkeloos luisteren naar hun partner - maar het eigenlijk in hun hart maar niks vinden.
Ja knikkers noemen we dat en die zijn er nogal wat in de wereld. En weet je wat ik denk, dat hoe hoger de baas hoe meer er “ja” geknikt wordt. Misschien bent u een van de weinigen die er niet goed tegen kan, tegen dat ja knik gedoe, maar veel mensen menen toch dat het werkt, en het goed is voor je carrière of wat dan ook?

Met aandacht kijken we naar de woorden van de profeet Ezechiël. Hij roept de mensen van zijn tijd op om niet van het pad van de rechtvaardigheid af te wijken en dus niet klakkeloos ja te zeggen tegen alles wat er heerst of de gewoonte is geworden of wat een mens wordt opgedragen. Ezechiël realiseert zich heel goed dat hij dan tegen zere benen schopt en dat hij alles wat er ingeslopen is aan regels en wetten, die niks meer met God of met goedheid en liefde te maken hebben, aan zijn profetenlaarzen lapt. Maar hij is nu eenmaal profeet en geen ja-knikker en zegt wat hij meent van Godswege te moeten zeggen.

Jezus, de profeet bij uitstek doet, er nog een schepje bovenop. Hij heeft het over twee zonen. Laten we zeggen de jongste en de oudste zoon. Het gaat mij niet om een wit-zwart situatie te schilderen. De jeugd denkt gewoonlijk radicaler dan de volwassenen. Als een opdracht hun te zwaar lijkt, zeggen ze het eerlijk en dikwijls zo radicaal als de jongste zoon uit de parabel.

Volwassenen daarentegen zeggen zoals de oudste zoon van de parabel heel beleefd ja op de voorschriften en geboden, maar jammer genoeg komen hun daden dikwijls niet overeen met wat ze beloofd hebben.
De ene een ja knikker, maar een die ja zegt en nee doet. En de ander: iemand die nee zegt om wat voor reden ook maar die zich nog eens achter de oren krabt en uiteindelijk toch beslist om wel in naam van de liefde in naam van zijn mens zijn of in naam van God de handen uit de mouwen te steken.
Natuurlijk mag je soms nee zeggen. Natuurlijk mag je ook ja zeggen. Natuurlijk mag je zelfs op beide antwoorden terugkomen of tot inkeer komen, jezelf bekeren. Maar Jezus heeft een gruwelijke hekel aan meelopers, ja knikkers die niet met hun hart en alleen maar met hun hoofd iets belijden.
Natuurlijk is het gemakkelijk genoeg om de woorden van onze geloofsbelijdenis uit te spreken en er ja en amen op te zeggen maar het is veel moeilijker om het woord van Christus op te nemen en er daden van te maken.  Natuurlijk kun je ja zeggen tegen de boodschap van vergeving die Jezus ons voorhoudt, maar het is dan wel zaak om er werk van te maken.

Zoals altijd geven de woorden van de Schrift ons geen uitsluitsel over hoe we moeten handelen in alle situaties waar we in het leven voor komen staan. Nee we hebben onze eigen verantwoordelijkheid – bisschop Bekkers noemde het al weer lang geleden: ons eigen geweten – om in de geest van de Schrift onze weg te zoeken en na te denken over of ons ja wel echt ja is en ons nee wel echt nee.
De betekenis van de parabel is duidelijk: God geeft de mensen de tijd. Je hoeft niet vanaf het eerste ogenblik begeesterd ‘ja’ te zeggen, je mag de tijd nemen om je te bezinnen, om je te bekeren.
Maar als je tot inzicht komt en inziet wat God van je vraagt, heb dan ook de moed om Gods wil volledig uit te voeren. De grootste schuld laden wij mensen op ons doordat wij kunnen omkeren en het niet doen. Jezus heeft de wil van zijn Vader tot het uiterste volbracht. Hij heeft ‘ja’ gezegd, ook toen dat de bittere kelk van het lijden betekende en Hij heeft het gedaan tot op het kruis. Wij zullen ons ja-woord alleen kunnen omzetten in de daad als wij iets bezitten van die gezindheid die was in Christus Jezus.
Aan ja knikkers en nee doeners heb je niks. God zelf niet en ook wij mensen niet. Als je geloven wilt in de God van Jezus Christus dan vraagt dat niet zomaar om een ja of een nee. Het vraagt om veel meer: een manier van leven, een manier van kijken en een manier van doen. Dan kun je iemand worden die ja zegt en het ook doet.  Geen jaknikker zijn en ja zeggen, maar ook ja doen!

1e lezing: Ezechiël 18,25-28; 2e lezing: Filip.2,1-11; evangelie: Matteüs 21,28-32
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd zei Jezus tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: ‘Waar wat denkt u hiervan? Iemand had twee zonen. En hij ging naar de eerste en zei: ‘Jongen, ga vandaag in de wijngaard werken.’ Hij antwoordde: ‘Nee, ik wil niet.’ Later bedacht hij zich en ging toch. Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde. Die antwoordde: ‘Goed, heer.’ Maar hij ging niet. Wie van de twee heeft de wil van de vader gedaan?' Ze zeiden: `De eerste.' Jezus zei hun: `Ik verzeker u, tollenaars en hoeren gaan u voor naar het koninkrijk van God. Toen Johannes naar u toe kwam op de weg van de gerechtigheid, hebt u hem geen geloof geschonken. De tollenaars en de hoeren hebben hem wel geloof geschonken. Maar u hebt zich ook later, toen u dat zag, niet bedacht en hem geen geloof geschonken.

deel dit artikel


Meer interessante pagina's