Preek van 13 maart 2016

5e zondag Veertigdagentijd 

Iets meer dan tien jaar geleden stond er in ons krant een opvallende foto waarop twee Iraanse jongens de strop werd omgedaan. Enkele seconden later werden ze op het schavot in de stad Mashad opgehangen.

Veroordeeld tot de publieke terechtstelling op beschuldiging van homoseksualiteit. Het is een foto die jarenlang het symbool werd van een wereldwijd protest tegen het schrikbewind vanwege de ayatollahs. Een beeld dat bij mij tal van vragen opriep en gevoelens wakker maakte. Wat gaat er op dat ultieme moment in het hoofd van beide tieners om? Was Allah de laatste toeverlaat waarop zij hoopten? 
Een jongen van zeventien en een van negentien: een sympathiek voorkomen ondanks de vele martelingen in de gevangenis. Zeker niet het uiterlijk van een misdadiger. Twee jonge, beloftevolle levens, met alle toekomstdromen, plannen en idealen die bruusk en onomkeerbaar worden afgebroken. Hun dode lichamen zouden nog enkele dagen aan een kraanwagen blijven hangen als afschrikking voor hen die de Sharia overtreden. Het is niet aan mij om over deze twee adolescenten een oordeel te vellen. Wel zag ik hen als slachtoffers, martelaars van een niets ontziend religieus systeem. Ik weet dan ook niet of ze regelrecht in de Eeuwige Vrede binnengegaan zijn, maar ik hoop wel dat ze alsnog op de barmhartigheid van ons aller God en Heer kunnen rekenen. 

Tot op zekere hoogte is er een sprekende overeenkomst tussen dit bericht en het evangelieverhaal van deze zondag en gaat het mij vandaag om de barmhartigheid die God ons onverdiend schenkt. Ook al staat dit evangelieverhaal reeds eeuwenlang in het Johannesevangelie, de meeste bijbelkenners zijn het erover eens dat dit een vreemde eend in de bijt is: een latere toevoeging die mogelijks van Lucas zou zijn. Lucas, wiens evangelie wel eens het ‘evangelie van de barmhartigheid’ wordt genoemd. Dit verhaal toont met name veel gelijkenis met dat andere verhaal over die zondige vrouw die ongevraagd het huis van een Farizeeër binnengaat en zomaar de voeten van Jezus wast (Lc 7,36-50). Volgens de wet van Mozes kon zo’n vrouw, op heterdaad betrapt, gestenigd worden. Maar in de tijd van Jezus groeide er een uitgesproken verzet tegen deze harde, discriminerende straf. Ook veel Farizeeën hadden een milde houding aangenomen. Maar enkelen waren hardleers en hielden het bij de letter van de Wet. Beter gezegd, sommigen onder hen wilden Jezus hiermee strikken en hadden nu een lokaas gevonden waarmee ze het net rond Hem dichter konden spannen. Een overspelige vrouw, wellicht de voorafgaande nacht betrapt, gooiden ze voor Hem in het midden van de menigte toehoorders. Het ging hen daarbij niet zozeer om die vrouw te veroordelen. Neen, ze ‘gebruikten’ haar als een middel, ze mísbruikten haar tot een middel om Jezus schaakmat te zetten. Is Jezus vóór steniging, dan is Hij niet langer degene die al weldoende rondgaat. Spreekt Hij zich uit tégen, dan kant Hij zich openlijk tegen de Thora. Ongetwijfeld komen er in Jezus’ hoofd en hart heel veel bedenkingen op. Hij voelt zich geplaatst tussen de wet en de barmhartigheid. Maar Hij kiest resoluut voor de barmhartigheid: de weg die Hij consequent tot het uiterste blijft volgen. Maar die Wet van Mozes is voor Hem alles behalve een stok om er een ander mee te weerleggen, de mond te snoeren of neer te slaan. De Wet bezit voor Hem zijn oorspronkelijke betekenis: 
dat is, een richtsnoer, een stok die men voor zich uitwerpt en die dan de juiste levensrichting aangeeft. Gods vingerwijzing, die een mens het goede levenspad aangeeft. 

Jezus zwijgt en begint in het zand te schrijven. Hij vindt de juiste toon van waaruit Hij met een menslievende stem kan zeggen: “Wie van jullie zonder zonde is, mag de eerste steen naar deze vrouw werpen.” Anders gezegd: wie eerlijk in zijn eigen hart wil kijken en kan erkennen dat hij volledig integer is, die heeft het recht naar waarheid oordeel uit te spreken. Dan schrijft Hij verder en biedt daarmee de Farizeeën de ruimte en de tijd om in het eigen hart te kijken. En in die stilte wellicht voelen deze wetsgetrouwe mensen vanuit hun zwakte aan dat deze vrouw geen ‘geval’ meer is, maar dat zij déze concrete en unieke vrouw is. Een vrouw die lijdt onder deze openbare vernedering en doodsbang is voor een veroordeling waartegen ze niets kan inbrengen omdat deze berust op een dubbele mannenmoraal. 
Kijkend naar die vrouw trekken ze hun aanklacht een voor een in. Dan spreekt Jezus rechtstreeks tot de vrouw: “Jij bent door niemand veroordeeld. Ook Ik veroordeel je niet. Ga heen en zondig voortaan niet meer.” Daarmee schenkt Jezus die vrouw opnieuw het geloof en het vertrouwen in zichzelf. Nu kan ze kan helemaal van nul af aan herbeginnen, en wel met een onbeschreven blanco blad. 

Wanneer ook ik in die kring rond Jezus durf staan, kijkend naar zijn gekrabbel in het zand, dan word ik uitgenodigd om met Hem alsmaar te blijven zoeken naar die diepere laag in mijzelf. De plaats van waaruit ik mild en welwillend tegenover de ander sta. En die vele keren – eerlijk gezegd, de meeste keren – dat het me niet lukt, moet ik naar Jezus blijven kijken. Blijven kijken tot ik de ander zie en aanvoel vanuit mijn eigen zwakheid. En tegelijk weet en geloof ik ook dat ikzelf ook telkens opnieuw vanaf nul mag herbeginnen. Dat iedere dag de eerste mag worden voor de rest van mijn leven. 
Met de woorden van kardinaal Danneels wil ik als besluit tot Jezus bidden: ‘Heer Jezus, dit is de tijd van de barmhartigheid, een tijd waarin ook ik mag leven. Behoed mij ervoor voorbarig over een ander te spreken en te oordelen in voorlopigheid. Laat mij liever in stilte schrijven in het zand. En laat mij de nodige tijd nemen voor barmhartigheid tegenover allen die tot U willen wederkeren. Maak mijn hart zacht en menslievend. Amen.” 

Eerste lezing: Jes. 43,16-21; tweede lezing: Fil. 3,8-14; evangelie: Johannes 8,1-11 
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:

Jezus echter begaf zich naar de Olijfberg. ‘s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. Toen brachten Schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt. Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: ‘Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt, terwijl ze overspel bedreef. Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?’ Dit bedoelden ze als een strikvraag in de hoop Hem ergens van de te kunnen beschuldigen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond. Toen ze bij Hem aanhielden met vragen, richtte Hij zich op en zei tot hen: ‘Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen.’ Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond. Toen zij dit hoorden, dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw, die nog midden in de kring stond. Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: ‘Vrouw, waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld? Zij antwoordde: ‘Niemand, Heer.’ Toen zei Jezus tot haar: ‘Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer.’

 

deel dit artikel


Meer interessante pagina's