Preek van 21 mei 2017

6e zondag van Pasen

‘Wees altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft.” (1 Petrus 3,15b). Met deze bemoedigende woorden in de aanhef van de tweede lezing richt Petrus zich vanuit Rome tot de christenen in Klein-Azië, het huidige Turkije. Een oproep die Petrus als hoofd van de jonge kerk tot christenen richt die als een kleine minderheid in de diaspora leven. Dat betekent: verspreid, midden een wereld vol vijandige levensbeschouwingen. Een situatie van alle tijden vandaag nog aanwijsbaar is. Ook wij hebben dit hier te lande gekend, ten tijde van de Republiek. Gelukkig horen openlijke vervolgingen in het Westen tot het verleden Én tegelijk is er in onze tijd die duistere en verlammende diaspora. Want wij christenen behoren tot een minderheid. Van de ene kant is er de steeds grotere plaats die de Islam inneemt waarbij de ernst die moslims aan de dag leggen ons ongewild tot nadenken stemt. Én anderzijds is er – met dank aan de tolerantie, de vrijheid en de gelijkheid, een niet te ontkennen afname van christelijke geloofsuiting. Een afname zowel in numeriek aantal als in duidelijke overtuiging. In een wereld die op zoveel vlakken onverschillig lijkt en die het geloof afwijst als nutteloos en bijgevolg als zinloos, in zo’n wereld durven wij niet graag uit de toon vallen We willen in het openbaar niet anders zijn en denken als de anderen en zoeken we om te lijken op de Groots Gemene Deler. Misschien zijn onze jonge mensen daarvan het grootste slachtoffer. In zekere zin zijn zij de echte diaspora-christenen van onze tijd. Want wat ze thuis geleerd hebben behoort tot hun strikte privéleven en tijdens de kerkdienst voelen ze zich niet gesteund door de aanwezigheid van leeftijdsgenoten.

In een wereld waar jan-met-de-pet vrij apathisch lijkt tegenover zingeving en diepgang voelt het dan ook lastig om de hoop die men heeft te verántwoorden. Want aan iemand die geen vragen heeft, kunnen we moeilijk een antwoord geven. Proberen we ons maar eens in te leven hoe het aanvoelt dagelijks voor een klas te staan die zich voor niets interesseert. Dan heeft het er alles weg van dat je ‘parels voor de zwijnen’ aan het gooien bent. Maar hier stuiten we precies op de betekenis van Petrus’ opdracht. Wanneer hij ons oproept om te getuigen van de hoop die in ons leeft gaat hij in tegen dit soort cultuurpessimisme en tegen een dergelijk doemdenken. De hoop brandend houden betekent dan dat christenen opnieuw de nodige gevoeligheid ontwikkelen voor de reële levensvragen die bij de mensen leven. Onze antwoorden zijn mooi maar moeten wel Een antwoord zijn op vragen die mensen zich stellen. Onze verkondiging heeft nood aan een gevoeligheid die getuigt van Jezus’ liefde voor alle mensen, van welke gezindheid ook. Dat geldt niet enkel voor priesters en pastores, voor predikanten of pastoraal werkenden maar dat geldt vooral en wellicht het mooist voor alle christenen. Voor hen waarvan men dit het minst zou verwachten.

Wat betekent dit nu voor ons, doodgewone mensen als wij zijn. Het gaat vooreerst om een opdracht. Dat is geen suggestie in de zin van: lukt het, probeer het dan eens. Het is een opdracht om – zonder veel woorden – te laten zien dat wij in elke situatie leven vanuit de hoop die ons in Jezus geschonken is. Hoop is een kracht waarvan we al dan niet bewust zijn precies omdat we deze niet zelf gewekt hebben maar ons geschonken wordt. Een kracht die komt van God en waarop je vertrouwt. Waardoor je de moed hebt om verder de juiste vooruit te gaan. De moed om niet achterom te kijken en je te laten neerdrukken Maar om vooruit te kijken naar de toekomst die er reeds in aanvang is. Zo zijn we tot dingen in staat die we van onszelf niet meteen verwachten. ‘Die kracht heb ik niet vanuit mezelf’ horen we mensen vaak zeggen die in moeilijkheden verkeren. We kunnen ons gemakkelijk verschuilen achter wat de kerk zegt. We kunnen gemakkelijk als rechtgeaarden volgens het boekje leven of nog gemakkelijker is het om door te verwijzen naar hoe anderen het zien en denken. Wat de kracht van hoop is, weten we pas wanneer deze deugd op de proef wordt gesteld. Wanneer je plots je baan kwijtraakt. Wanneer de dokter zegt: ‘Mevrouw, ik heb iets ernstigs te zeggen’. Wanneer een man tegen zijn echtgenote zegt: ‘Ik hou niet meer van je, ik heb een ander.’ Wanneer een jong stel hun eerste kindje verliest. We weten nooit op voorhand hoe we erop reageren. Maar het is wel onze opdracht om ons voor te bereiden. Om ons diepste ik te voeden van levenskracht die ertoe doet. Hoe komt het dat een echtpaar in staat is de moordenaar van hun zoon te vergeven. Waar halen de slachtoffers van de IS-aanslag in Brussel de moed om ondanks de zware verminking hun verder leven te beamen en nieuwe kansen vinden om een positieve boodschap door te geven? Of mensen die uitgelachen, afgewezen worden en voortdurend tegenwind te verduren hebben En aan wie te zien is dat ze over een innerlijke vrijheid bezitten waardoor ze niet meegetrokken worden in de spiraal van ‘oog om oog’. Wij moeten ons vasthouden aan deze levende voorbeelden die er goddank altijd zijn en ook altijd opnieuw geboren worden. Meer dan dertig jaar geleden merkte een collega op bij het zien van een oude dame die zich voor de zoveelste maal totaal en onopvallend had ingezet voor een parochiefeest: “Zo’n mensen kom je tegenwoordig niet meer tegen.” Wel, dertig jaar later zie ik nog altijd ontelbaar veel soortgelijke mensen om me heen. Mensen van hoop en aanstekelijke lichtpunten voor anderen. Mensen die leven vanuit de liefde van en voor Jezus en stilletjes steeds meer op Hem gaan lijken. ‘Steekvlammen in de nacht’ zou Huub Oosterhuis hen noemen. Want onze hoop, zegt onze paus, is geen begrip, geen gevoel, geen gsm, geen rijkdom! Onze hoop is een persoon, de verrezen Heer Die wij levend en aanwezig ervaren in onszelf en herkennen in onze broeders.

In zijn onvergetelijk en wereldberoemd gedicht over de tweede kardinale deugd, Roept de Franse dichter Charles Peguy (1873-1914) Het beeld op an de hoop Duie als klein meisje tussen haar twee grote zussen loopt. Het lijkt of zij zich laat voortrekken door haar twee zussen, Geloof en Liefde. Maar wie goed kijkt, zegt de dichter, ziet dat het net andersom is: Zij is het die bij al wat tussen mensen leeft En tussen al hun heen en weer geloop, licht en richting geeft. En dan geeft Peguy er een onverwachte maar diepzinnige wending aan Wanneer hij God laat zeggen: “Wat mij het meest bij de mensen verbaast is de hoop. De mensenkinderen, ze zien toch wat er in de wereld allemaal omgaat En ze geloven dat het morgen allemaal omslaat. Wat een wonder is er niet voor nodig Dat zij dat kleine hoopje hoop In hun handen en in hun hart bewaren, Een vlammetje dat keer op keer opnieuw wankelt en dreigt neer te slaan Maar telkens opnieuw weet op te staan, en nooit wil doven. ‘Soms’, zegt God, ‘kan ik mijn ogen niet geloven.’

1e lezing: Handelingen 8,5-8.14-17; 2e lezing: 1 Petrus 3, 15-18; evangelie: Johannes 14, 15-21
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden. Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper geven om voor altijd bij u te blijven: de Geest van de waarheid, voor wie de wereld niet ontvankelijk is, omdat zij Hem niet ziet en niet kent. Gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij zien, want Ik leef en ook gij zult leven. Op die dag zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u. Wie mijn geboden onderhoudt, die hij heeft ontvangen, hij is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en Ik zal Mij aan hem openbaren.

deel dit artikel


Meer interessante pagina's