Preek van 5 maart 2017

1e zondag in de Veertigdagentijd

Het lijkt voor ons als bijna vanzelfsprekend wanneer een pianist, alvorens een sonate te spelen, even heel stil wordt, zich concentreert. Hij haalt zijn zinnen weg vanuit de recente verstrooiing en komt helemaal tot zichzelf en tot het muziekstuk. Op eenzelfde wijze wendt een hoogtespringer zijn zinnen af van het nokvolle stadion en fixeert hij zijn blik op de lat die hij wil overschrijden. Hij hoort niets meer en ziet nog enkel die lat en de afstand. Ieder van ons zal zo’n moment of gelegenheid wel kennen waarop je niets meer wilt horen of zien, waarop je eventjes alle zorgen of praktische beslommeringen van je afwimpelt en al je zinnen zet op jezelf en op de taak of opdracht die je op je zult nemen. Zo liet Dag Hammarskjöld als toenmalige secretaris-generaal bij de bouw van het UNO-hoofdgebouw te New York een stilte kamer bouwen om er in stilte eventjes te kunnen toeven alvorens een moeilijke Veiligheidsraad voor te zitten of de Voltallige Vergadering van de VN toe te spreken.

Zo doet ook Jezus alvorens Hij onder de mensen komt. Nadat Hij het doopsel in de Jordaan heeft ontvangen trekt Hij zich weg uit de menigte en de drukte rond Johannes en gaat Hij de leegte in om er alleen te zijn.  Elke opdracht of taak die iemand op zich neemt, elke roeping die men ontvangt is een gelijkaardig ‘weg geroepen worden’. En geroepen worden betekent – zoals bij Jezus – een keuze maken, en dit veronderstelt altijd een aantal zaken achterlaten, loslaten. Maar die zaken die we achterlaten bewaren hun aantrekkingskracht, soms zelfs heel heftig en een heel leven lang. Daarom is iedere roeping ook een bekoring, want het voor en het tegen elkaar blijven bevechten.

In het evangelieverhaal van deze eerste zondag in de Veertigdagentijd komt in de allereerste zin reeds deze spanning tot uiting: “Jezus wórdt door de Geest naar de woestijn gevoerd om er door de duivel op de proef te wórden gesteld”. Jezus neemt niet zelf het initiatief, maar ‘wordt’ geleid én ondergaat een tweegevecht. Het lijkt erop dat de heilige Geest en de duivel aan elkaar vastzitten, Dat de Geest Jezus doelbewust naar de duivel leidt. In onze spontane voorstelling hebben wij Geest en duivel mijlenver uit elkaar gedreven. De duivel is de belichaming van het kwaad, iemand die je met een kruisteken en met wijwater moet verjagen. In de H. Schrift echter is hij minder afschrikwekkend. In het boek Job bijvoorbeeld maakt hij zelfs zijn opwachting bij God in de hemel. Samen sluiten ze een overeenkomst hoe Job het best wordt beproefd. En ook vandaag in het evangelieverhaal komt hij niet zo kwaadaardig over, maar hij is wel slim en zelfs sluw. In sommige vertalingen heeft men het dan ook over de verleider.

Eerst stelt hij Jezus voor om stenen in brood te veranderen. Toch geen onmogelijk en goddeloos voorstel. Wij doen vandaag niet anders. Wij zetten stenen om in louter consumptie. Het harde silicium wordt omgezet tot chips, geïntegreerde schakelingen. En kiezel toveren we zelfs om tot microprocessors.
In zijn tweede verleiding wil hij dat Jezus bezwijkt voor macht, dat Hij zijn macht gebruikt om gediend te worden door de engelen. Ook hier is niet de duivel zoals wij hem voorstellen, aan het woord. Want tot op vandaag nog verleiden wij elkaar om te buigen voor de macht, tot in onze eigen kerk. Nog steeds zijn er lieden die beweren: maak mij tot president of minister-president, en alles komt goed.
Bij de derde beproeving probeert de duivel Jezus tot volledige overgave aan God te dwingen, waarbij hij God tot een wonder wil bewegen. Hier is de duivel herkenbaar in een vroom mens die vindt dat Godsvertrouwen samen kan gaan met eigenbelang.

Neen, deze verleider lijkt niet op de satan uit vrome boeken en zijn beproevingen zijn geen pesterijen of onzin die ons levensgevoel verpest en ons negatieve gevoelens bezorgt. Beproevingen – velen van ons herkennen dit in het eigen leven – ontdoen onze bedoelingen van bijkomstigheden en halen onze zuiverste instelling naar boven. Ze vergroten ons vertrouwen en maken ons sterker om te weerstaan. We weten maar al te best hoe dit alles begint in het kleine en het weerstaan een groeiproces wordt. Van versterving over zelfbeheersing naar integriteit. Het klinkt wellicht wat hard wanneer we stellen dat mensen die nooit aan een beproeving hebben weerstaan verwende schoothondjes zijn.

Jezus verjaagt de verleider niet, maar gaat met hem in gesprek. Door de Geest geleid kan hij elke beproeving glansrijk doorstaan. Hij ontkent deze menselijke en begrijpelijke verleidingen niet maar weet ze op een passende en Bijbels geïnspireerde wijze te overstijgen. Na veertig dagen vasten weet Jezus heus maar al te goed dat de mens inderdaad wél van brood leeft maar dat de mens niet van brood alléén leeft. Zo ook is aanbidden geen onzin, maar aanbidden moet je alleen God, en dan ook niemand anders. En wat tenslotte de overgave aan God betreft, ontkent Hij dit uiteraard niet. Wel zegt Hij dat je God niet kunt manipuleren in je overgave, Wat erop neerkomt dat God aanbidden niet verward mag worden met het eigenbelang dienen. Wees daarin onverdeeld zuiver en goed, zoals God onverdeeld goed is.

Deze confronterende ervaring van Jezus toont ons dat zo’n veertigdagentijd geen kinderboek is. Dat wie heel bewust loskomt van de drukte van alledag en – zij het maar eventjes misschien – de stilte ingaat om dicht bij zichzelf en bij God te zijn om de eigen bedoelingen en invulling van het leven zuiver te stellen, dat zo iemand zijn diepste kern en zijn ware motieven bereikt. De verleidingen die hij daarvoor moet doorstaan, de keuzes die hij maakt zorgen ervoor dat de leiding van de H. Geest aan het licht komt. Dat zij dan – in het voetspoor van Jezus – kind van God worden.

Veertig dagen, veertig nachten: Veel afweermechanismen worden langzaam afgebroken. We staan met lege handen tegenover God en ervaren dat we niet alleen van brood leven. We horen toe aan God alleen, in leven én in sterven.

1e lezing: Genesis 2,7-9; 3,1-7; 2e lezing: Romeinen 5,12-19; evangelie: Mattheüs  4,1-11.
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden. Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger. Nu trad de verleider op Hem toe en sprak: ‘Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen.’ Hij gaf ten antwoord: ‘Er staat geschreven: Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt.’ Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort en sprak tot Hem: ‘Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.’ Jezus zei tot hem: Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.’ Tenslotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde in hun heerlijkheid. En hij zei: ‘Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt.’ Toen zei Jezus hem: ‘Weg, satan: er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.’ Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen.

deel dit artikel


Meer interessante pagina's