Preek van 6 augustus 2017

Gedaanteverandering van de Heer

Hoge bergen met prachtige rots flanken en besneeuwde toppen trekken mensen aan. Niet enkel om er naar te kijken maar liever om hen te beklimmen. Want van jongs af aan wil een mens steeds hoger, letterlijk en figuurlijk. En zonder je het wil, veranderen de bergen een mens. Want hoe hoger je klimt, hoe anders je gaat denken en gedragen. Anders dan in de vallei van de drukte, het dagelijkse, eendere leven. En… je gaat spontaan je eigen binnenkant ervaren. Een lange tocht met twee of drie leent zich gemakkelijk tot een gesprek over zaken die er echt toe doen, over diepe levensvragen. Wanneer je dan met zijn allen dat unieke ogenblik op de top staat heeft dat ene moment – hoe kort ook – genoeg aan zichzelf. Het geeft een eeuwigheidsgevoel dat alle moeite en pijn doet vergeten. Omwille van deze ‘hogere sfeer’ heeft de gelovige mens van alle tijden die plaats gekozen om er een altaar te plaatsen, om er zijn god aanwezig te weten. In Peru en Mexico, op Java of in de Himalaya getuigen machtige bouwwerken van dat eeuwenoude geloof. Zo was ook de tempel op de berg Sion te Jeruzalem reeds vrij vroeg dé plaats waar onze God zijn woning heeft.

Ook Jezus werd sterk gefascineerd door de bergen om dat ze altijd te maken met een figuurlijk vergezicht, het zicht op wat ‘verder reikt’ in het leven. Denken we maar aan zijn Bergrede die de aanvulling werd op Mozes’ Wet, aan Golgotha waar Hij door mensen gekruisigd maar door God verheven werd. Én aan de berg van waarop Hij, net als de profeet Elia, ten hemel werd geheven. Van Lukas weten we dat Hij vaak de bergen introk om er alleen te zijn… met God. En met een grote zekerheid mogen we aannemen dat Hij dit geregeld in gezelschap van Petrus, Jakobus en Johannes deed. Wie weet of zij precies op die momenten Hem niet met andere ogen hebben gezien en de goddelijke uitstraling hebben ervaren die van Hem uitging. Zo ook trekt Jezus als naar gewoonte die dag met de drie de berg op. Omdat het om een heel bijzonder gebeuren gaat dat alle kenmerken heeft van een Godsverschijning, is dit Thaborverhaal in de drie versies doorspekt met tal van rijke symbolen. Zo situeert het gebeuren zich ‘zes dagen’ nadat Jezus zelf de vraag heeft gesteld naar wie Hij is en waarop Petrus heeft beleden: “Gij zijt de Messias, de Zoon van de levende God”. Maar even later werd dezelfde Petrus berispt omdat hij het nakende lijden en de dood van Jezus loochende. Zo zijn er ook de symbolisch geladen verwijzingen naar de Godsverschijning in de Sinaï wanneer God met zijn volk een verbond sloot. Denken we maar aan de hoge berg, aan het stralende gelaat, aan de tenten en aan de lichtende wolk. Het zijn een voor een perspectieven van waaruit we de transfiguratie kunnen zien en begrijpen. Maar het belangrijkste perspectief in dit Thaborgebeuren is wel de opvallende band met het begin en met het einde van Jezus’ aardse leven. Want met dezelfde woorden als bij zijn doop in de Jordaan wordt Jezus hier op de berg door God bevestigd in zijn Messiaanse zending: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem.’ En de verschijningswijze die de drie leerlingen mochten aanschouwen zal hen ook op die paasmorgen bij het lege graf te beurt vallen. Zij zien, met andere woorden, Jezus voor het eerst als de Christus. Jezus die zich openbaart als God, die ons het vergezicht, het visioen biedt op onze eindbestemming. Maar Pasen evenwel is pas het einde van een lange, doodlopende weg, van een kruisweg die zij nog te gaan hebben maar waarvan ze geen weet hebben. Want zelfs op paasmorgen zullen ze nog de volle betekenis niet zien.

Enkele dagen geleden drukte een medebroeder het aldus uit: ‘Het gaat eigenlijk bij de gedaanteverandering niet om een verandering van Jezus’ lichaam, van zijn menselijke verschijningsvorm. Jezus verandert niet, het zijn de apostelen die op dat moment veranderen. Ze hebben ditmaal niet gekéken naar Jezus, maar hebben in Hem Christus gezién. Hun ‘ogen’ zijn veranderd. In een korte tijdsspanne hebben ze Christus met de ogen van hun gelovige hart aanschouwd. Ze waren er ondersteboven van. Dit verhaal is een uniek, een hoogtepunt in het evangelie van Jezus. Niet enkel omdat het om een totaal onverwachte en héél uitzonderlijke ervaring gaat die ons nuchtere verstand te boven gaat. Maar, geplaatst binnen het evangelie, staat dit verhaal in relatie tot Jezus’ volle persoon en met zijn optreden. Zijn vertrouwelijke gebed tot de Vader, zijn genezingen en duivel uitdrijvingen, zijn vergeving van de zonden, het gezag waarmee Hij sprak, dat alles daagde zijn leerlingen en wellicht het sterkst nog de drie die Hij geregeld meenam om te bidden tot de vraag: ‘Wie is Hij eigenlijk?” Een vraag die Hij zelf aan zijn volgelingen stelde: “Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is” (Mt 16,13). En het aarzelend antwoord van Petrus luidde: Gij zijt de Gezondene naar wie het volk al zo lang uitziet en in Wie Gods mensenliefde midden onder ons zichtbaar is’ (naar Mt 16, 16).

Ook wij maken soms topervaringen mee die we met ‘nieuwe ogen zien’, momenten die we daarom zouden willen vasthouden. En sommige heel eenvoudige mensen slagen daar wonderwel in. Maar niet ieder van ons is dit gegeven. Twee pasgehuwden stralen van licht en schitteren in hun kleren. Daags nadien moeten ze weer afdalen om de glanzende gloed van hun eerste liefde te bewaren en deze geregeld te voeden vanuit de kracht van hun geloof. Dezelfde gloed zien we bij mensen die terugkomen uit Lourdes of uit Compostella, We zien het bij jonge religieuzen, bij pas ingetreden of geprofeste godgewijden, maar hetzelfde ‘vuur van het begin’ kan je nog warm aanvoelen bij een oud geworden echtpaar, bij een bejaarde kloosterling of bij een gepensioneerde die zijn beroep nog even enthousiast kan uitoefenen als toen hij ermee begon. Het zijn stuk voor stuk mensen die in hun leven afgedaald zijn en weet hebben van de lange weg die ze reeds gegaan zijn. Misschien kunnen we dan beter het mooie pinkstergebed van kardinaal Newman begrijpen, bij zijn bekering tot onze katholieke kerk:
Leid me, vriendelijk Licht,
leid gij mij voort, te midden van de duisternis die mij omgeeft,
d
oe me met uw Licht één stap zien,
één stap is genoeg voor mij!

1e lezing: Daniël 7,9-10a.13-14; 2e lezing: 2Petrus 1,16-19; evangelie: Matteüs 17,1-9
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: zijn gelaat begon te stralen als de zon en zijn kleed werd glanzend als het licht. Opeens verschenen hun Mozes en Elia, die zich met Hem onderhielden. Petrus nam het woord en zei tot Jezus: ‘Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ Nog had hij niet uitgesproken of een lichtende wolk overschaduwde hen en uit die wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld; luistert naar Hem.’ Op het horen daarvan wierpen de leerlingen zich ter aarde neer, aangegrepen door een hevige vrees. Maar Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: ‘Staat op en weest niet bang.’ Toen zij hun ogen opsloegen zagen zij niemand meer dan alleen Jezus. Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun: ‘Spreekt met niemand over wat ge hebt aanschouwd, voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan.

deel dit artikel


Meer interessante pagina's