Preek van 13 september 2026

Preek van 13 september 2026

24zondag door het jaar

Broeders en zusters, laten we maar gelijk met het moeilijke beginnen “Wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks.” Jezus Sirach draait er deze morgen niet omheen. Hij begint niet met een vriendelijke aanbeveling om toch vooral een beetje aardiger voor elkaar te zijn. Hij noemt de dingen bij hun naam. Wrok en gramschap zijn afschuwelijk, omdat zij iets kapotmaken. Zij beschadigen onze verhouding met een ander, maar uiteindelijk beschadigen zij ook onszelf. Wie zijn wrok jarenlang met zich meedraagt, denkt dat hij daarmee de ander vasthoudt, maar vaak houdt hij vooral zichzelf gevangen.

Daarom past deze eerste lezing zo prachtig bij het Evangelie. Petrus stelt Jezus een heel menselijke vraag: “Heer, als mijn broeder tegen mij zondigt, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?” Je kunt bijna enige trots in zijn vraag horen. Petrus gaat immers al behoorlijk ver. Zevenmaal iemand vergeven is niet niks. Misschien verwacht hij zelfs een compliment van Jezus. Maar dat krijgt hij niet. Jezus antwoordt: “Niet tot zevenmaal toe, zeg Ik u, maar tot zeventigmaal zevenmaal.” Daarmee haalt Jezus onze hele boekhouding onderuit. Want als het om de fouten van anderen gaat, kunnen wij uitstekende boekhouders zijn. Wij weten nog precies wat iemand heeft gezegd, wanneer hij het zei, wie erbij was en vooral hoe wij ons daardoor voelden. Sommige rekeningen bewaren wij jarenlang. En telkens wanneer er opnieuw iets gebeurt, schrijven wij er gewoon een nieuwe regel bij.

Jezus zegt: houd op met tellen. Maar dat betekent niet: houd op met nadenken over goed en kwaad. Het betekent ook niet dat alles zomaar moet worden toegedekt met de mantel der liefde. En het betekent al helemaal niet dat degene die een ander kwaad heeft gedaan achterover kan leunen en zeggen: “Jij bent christen, dus jij moet mij vergeven.” Dat zou een goedkope uitleg van het Evangelie zijn. Want vergeving ontslaat niemand van verantwoordelijkheid. Wanneer ik iemand pijn heb gedaan, kan ik mij niet verschuilen achter de opdracht van Jezus dat die ander mij moet vergeven. Dan begint het Evangelie juist bij mij. Dan moet ik de moed hebben om te zeggen: dit heb ik gedaan. Dit was verkeerd. Ik heb jou daarmee pijn gedaan. Ik neem daarvoor verantwoordelijkheid. Dat is moeilijker dan “sorry” zeggen. “Sorry” is soms een prachtig woord. Maar het kan ook een gemakkelijk woord worden. Wij zeggen sorry en hopen vervolgens dat de zaak daarmee gesloten is. Alsof één woord alles uitwist. Alsof de ander daarna geen pijn meer mag hebben. Alsof vertrouwen dat beschadigd is onmiddellijk weer hersteld moet zijn. Zo werkt het tussen mensen niet. Ook in onze samenleving horen wij regelmatig excuses. Politici, regeringen, kerken en organisaties bieden excuses aan voor wat in het verleden of heden verkeerd is gegaan. Voor slavernij en kolonialisme, voor de toeslagenaffaire, voor antisemitisme, discriminatie of mensen die vanwege hun geaardheid zijn vernederd of buitengesloten. Het is goed dat schuld wordt erkend. Soms is dat zelfs noodzakelijk. Maar uiteindelijk komt ook daar de vraag: wat volgt er op de woorden? Want excuses zonder verantwoordelijkheid blijven woorden. En dan heb ik het niet over een financiële compensatie want dat weerhoudt regeringen vaak om excuses aan te bieden. Wij zitten niet op die stoel. Als wij zeggen dat iets ons spijt, maar daarna precies hetzelfde blijven doen, hebben onze woorden weinig betekenis. Als wij zeggen dat wij mensen respecteren, maar hen ondertussen blijven uitsluiten, verandert er niets. Als wij zeggen dat geweld tegen vrouwen onaanvaardbaar is, maar vrouwen zich op straat nog steeds onveilig voelen, dan is er meer nodig dan een verklaring. Als wij zeggen dat ieder mens gelijkwaardig is, maar mensen opnieuw moeten vechten om als gelijkwaardig behandeld te worden, dan moeten wij ons afvragen hoeveel onze mooie woorden werkelijk waard zijn. En wat voor de samenleving geldt, geldt ook voor ons.

Hoe eerlijk zijn wij eigenlijk wanneer wij zeggen dat wij iemand vergeven hebben? Want ook daarin kunnen wij onszelf gemakkelijk voor de gek houden. Wij zeggen: “Voor mij is het klaar.” Maar een week later vertellen wij aan iemand anders nog eens precies wat er gebeurd is. Een maand later halen wij het bij een nieuwe onenigheid opnieuw naar boven. Wij geven kleine steken. Wij laten anderen subtiel merken wat voor iemand die ander eigenlijk is. Wij verzamelen medestanders voor ons eigen gelijk. Met onze mond hebben wij vergeven, maar achter de schermen rekenen wij alsnog af. Dat is vergeving voor de bühne.

En daar komt het murmureren om de hoek kijken waar Benedictus zo streng over is. Op het eerste gezicht lijkt dat misschien overdreven. Waarom maakt Benedictus zoveel problemen van wat gemopper? Iedereen klaagt toch weleens? Iedereen moet toch zijn hart kunnen luchten? Maar Benedictus begrijpt iets van de menselijke ziel. Hij weet dat murmureren zelden bij gemopper blijft. Murmureren kan een gemeenschap van binnenuit vergiftigen. Ik heb een probleem met een broeder of zuster, maar ik ga niet naar hem of haar toe. Ik ga naar iemand anders. Ik ben boos over een beslissing, maar ik spreek degene die de beslissing genomen heeft niet aan. Ik zoek iemand die het met mij eens is. Die vindt vervolgens nog iemand. En voor we het weten spreken vijf mensen over een probleem dat eigenlijk tussen twee mensen besproken had moeten worden.

Dat is geen verzoening. Dat is het organiseren van ons eigen gelijk. En juist daarom is het zo belangrijk om het Evangelie van vandaag te verbinden met dat van vorige zondag. Toen zei Jezus: “Wanneer uw broeder tegen u zondigt, ga dan naar hem toe en wijs hem onder vier ogen terecht.” Ga naar hem toe. Dat is misschien wel een van de moeilijkste opdrachten van het Evangelie. Want wij praten soms gemakkelijker over elkaar dan met elkaar. Naar iemand toegaan vraagt moed. Want dan kan die ander antwoorden. Dan kan blijken dat mijn verhaal misschien niet het hele verhaal is. Dan kan blijken dat ik zelf ook iets heb bijgedragen aan het conflict. Maar het kan óók blijken dat de ander werkelijk verkeerd heeft gehandeld. En dan moet dat gezegd kunnen worden. Vergeving betekent namelijk niet dat wij kwaad goed noemen. Als iemand liegt, blijft een leugen een leugen. Als iemand een ander vernederd heeft, moet dat benoemd kunnen worden. Als iemand agressief is geweest, kan hij niet verlangen dat iedereen de volgende dag doet alsof er niets gebeurd is. Als iemand misbruik heeft gemaakt van vertrouwen, is het niet vreemd dat herstel van vertrouwen tijd kost.

Juist wie verzoening werkelijk serieus neemt, neemt verantwoordelijkheid serieus. Daarom ontbreekt er voor mij vanmorgen nog één woord. Een woord dat niet letterlijk in het Evangelie staat, maar dat er helemaal doorheen klinkt: verzoening. Vergeving en verzoening zijn niet hetzelfde. Ik kan iemand vergeven zonder dat onze verhouding onmiddellijk hersteld is. Verzoening vraagt meer. Verzoening vraagt dat mensen elkaar opnieuw tegemoet proberen te treden. En dat kan alleen wanneer wij de waarheid onder ogen durven zien.

Daarom is verzoening nooit goedkoop. Wie iets verkeerd heeft gedaan, moet niet alleen zeggen: “Sorry dat jij je gekwetst voelt.” Dat is geen schulderkenning. Dan leg ik het probleem nog steeds bij de ander. Werkelijke verantwoordelijkheid zegt: ik heb iets gedaan waardoor jij gekwetst bent. Ik erken dat. Ik kan het verleden niet veranderen, maar ik kan wel verantwoordelijkheid nemen voor wat ik nu doe. En degene die gekwetst is, heeft eveneens een verantwoordelijkheid. Niet de verantwoordelijkheid om het kwaad goed te praten. Niet om onmiddellijk weer vertrouwen te hebben. Niet om te doen alsof er niets gebeurd is. Maar wel om zich af te vragen of hij de ander ooit nog de mogelijkheid geeft om méér te zijn dan zijn fout. Dat is misschien het moeilijkste van vergeving.

Een mens is niet zijn slechtste daad. Wij kunnen iemand zo vastzetten in wat hij ooit gedaan heeft dat verandering onmogelijk wordt. Wij zeggen misschien dat wij vergeven, maar ondertussen heeft die ander levenslang gekregen in ons hoofd. Wat hij ook doet, wij blijven hem bekijken door de bril van het verleden. Daar komen wrok en gramschap opnieuw binnen. Wrok houdt de rekening open. Gramschap wil dat de ander blijft betalen. Vergeving durft op een bepaald moment de rekening neer te leggen. En verzoening probeert, waar dat mogelijk en verantwoord is, opnieuw een weg naar elkaar te vinden. Niet alsof er niets gebeurd is. Juist omdat er iets gebeurd is.

Het is dat waaraan onze wereld vandaag zo'n behoefte heeft. Wij zijn geweldig geworden in het aanwijzen van schuld. Wij weten precies wie fout zit. Sociale media hebben daar nog een nieuwe dimensie aan gegeven. Eén verkeerde uitspraak en iemand kan voor jaren worden vastgezet. Mensen worden ingedeeld in kampen. Wij spreken steeds minder met elkaar en steeds meer over elkaar. Maar een samenleving waarin iedereen alleen nog maar zijn eigen gelijk verdedigt, wordt uiteindelijk onleefbaar. Dat geldt ook voor een familie. Voor een huwelijk. Voor een parochie. Voor een kloostergemeenschap. Samenleven lukt alleen wanneer mensen bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen. Niet voortdurend naar de ander wijzen. Niet zeggen: “Zo ben ik nu eenmaal.” Niet verwachten dat anderen zich steeds aan mij aanpassen. Niet mijn eigen gedrag vergoelijken omdat de ander ook fouten maakt.

Dan pas verliezen wrok en gramschap hun macht. Dan wordt vergeving meer dan een mooi christelijk woord. Dan kan uit waarheid en verantwoordelijkheid vergeving groeien, en uit vergeving verzoening.

Want Jezus spreekt vandaag niet over een ideale wereld die ooit misschien zal komen. Hij spreekt over de wereld die hier en nu begint, tussen mensen die de moed hebben hun verantwoordelijkheid te nemen, elkaar de waarheid te zeggen, om vergeving te vragen, te vergeven en zich opnieuw met elkaar te verzoenen.

Wij zijn die wereld die Jezus voor ogen heeft. Niet omdat wij volmaakt zijn, maar omdat wij telkens opnieuw kunnen kiezen om wrok niet het laatste woord te geven, gramschap niet te laten winnen en de ander niet gevangen te houden in het verleden. Waar wij verantwoordelijkheid nemen, vergeven en ons met elkaar verzoenen, daar begint Gods wereld. Niet morgen en niet ergens anders, maar hier, tussen u en mij.

1e lezing: Sirach 27, 30 – 28,7; 2e lezing: Rom. 14, 7-9; evangelie: Matteüs 18, 21-35
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: ‘Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?’ Jezus antwoordde hem: ‘Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tienduizend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelijden met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt. Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denarien schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald. Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben. Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.’