De laatste tijd wordt Nederland opgeschrikt door protesten tegen de komst van AZC’s. In een naburig dorp werden zelfs de huizen van de voorstanders van opvanglocaties met allerlei leuzen beklad. De beelden daarvan staan nog steeds op ieders netvlies gebrand. Aan de andere kant van de wereld, in Suriname, horen we een geheel ander geluid. Daar zou de president geen heil zien in een beleid waarbij groepen vreemdelingen zonder verblijfsstatus massaal het land worden uit gezet. Volgens haar moet de overheid kijken naar mogelijkheden om langdurig verblijvende migranten te registreren en hun verblijf te legaliseren. De president zegt begrip te hebben voor de situatie van veel vreemdelingen die al jarenlang in Suriname wonen, werken en onderdeel van de samenleving zijn geworden. Volgens haar gaat het in veel gevallen om mensen die vanwege economische omstandigheden naar Suriname zijn gekomen en inmiddels diep in de gemeenschap zijn geworteld.
Want, aldus de eerste lezing, “de vreemdelingen die zich bij de Heer aansluiten om Hem te dienen … breng Ik naar mijn heilige berg en Ik geef hun vreugde in mijn huis van gebed.”
De lezing van vandaag vormt de inleiding op het derde deel van het boek Jesaja, ook wel ‘Trito-Jesaja’ genoemd. Daarin staat de vraag centraal: wie behoort tot de gemeenschap van God? Op deze vraag geeft de profeet een zeer universalistisch antwoord. De tekst stamt uit de tijd van na de Babylonische ballingschap, en wel na de wederopbouw van de tempel. De tendens om de gemeente zuiver te houden door eunuchen en vreemdelingen uit te sluiten, was toen zeer sterk. De profeet reageert hiertegen. Zowel de eunuchen als de vreemdelingen krijgen toegang tot de gemeente, mits: zij God dienen, de sabbat onderhouden, en trouw blijven aan het verbond. Dan mogen ook zij aan de tempeldienst deelnemen, en zijn hun offers even waardevol als die van de Israëlieten. De tempel wordt aldus “een huis van gebed voor alle volken”.
Dit openstellen van de geloofsgemeenschap heeft volgens de profeet alles te maken met tsedaka, met gerechtigheid. Zowel van de kant van het volk, dat ‘gerechtigheid doet’, als van de kant van God, die ‘zijn gerechtigheid openbaart’. In de Bijbel is gerechtigheid geheel iets anders dan ‘beantwoorden aan een vooropgestelde norm’. In de lezing van vandaag is het ook een synoniem van ‘redding’, van ‘bevrijding’. Gerechtigheid betekent gemeenschapstrouw, zich zo gedragen dat de gemeenschap er beter van wordt.
En toch “is het niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven”, geeft Jezus de Kanaänitische vrouw ten antwoord. “Toch wel, Heer, - sprak zij - want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.”
Jezus moet weer eens uitwijken, ditmaal na een twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden over ware reinheid. Zij verklaren Jezus en zijn leerlingen onrein, omdat zij met ongewassen handen eten. Tevens bevindt Jezus zich nu - volgens deze schriftgeleerden - in een onrein, heidens gebied, maar vindt daar tot zijn verbazing een groter geloof dan in Israël zelf.
“Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David”, roept de Kanaänitische vrouw Jezus toe. “Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld.” Aanvankelijk is Jezus niet van plan om op de vraag van de vrouw in te gaan. Hij acht zijn zending beperkt tot de joden, ‘het huis van Israël’. Zijn uitspraak over het brood van de kinderen dat niet voor de honden bestemd is, klinkt zelfs heel grof. Maar de vrouw laat zich daardoor niet van de wijs brengen. Zij heeft onmiddellijk een antwoord klaar. Dat antwoord onderstreept hoe groot haar geloof is, en daarvoor moet Jezus wel zwichten. In zekere zin speelt deze vrouw een profetische rol in het leven van Jezus. Zij opent zijn ogen en verruimt zijn blikveld. Zij brengt hem ertoe zijn messiaanse zending ook uit te breiden naar de niet-joden.
In de lezingen van vandaag gaat het over vreemdelingen die de kring van de gelovigen komen verrijken. Zo betekent de profetie van Jesaja in de eerste lezing een nieuw geluid in het Jodendom van na de ballingschap, dat meent zich angstvallig te moeten afsluiten voor vreemde invloeden, om zo de eigen gemeente ‘zuiver’ te houden. Maar volgens Jesaja mag iedereen zich bij God aansluiten om Hem te dienen en zijn naam te eren. Ook vreemdelingen, ook mensen met een lichaamsgebrek mogen in de tempel komen bidden en offers opdragen. Alleen dan kan de tempel in Jeruzalem een huis van gebed worden voor alle volken.
In de evangelielezing brengt de Kanaänitische vrouw, door haar groot geloof, Jezus zover dat hij zijn aanvankelijke reserves tegenover niet-joden laat varen, en een stap buiten de grenzen van zijn eigen volk zet. Zijn reis naar de heidense streek van Tyrus en Sidon krijgt zo een positieve betekenis, en vormt het begin van de missionering onder de volken.
En in Suriname ziet de president geen heil in een beleid waarbij vreemdelingen zonder verblijfsstatus massaal het land worden uitgezet. Immers, zij wonen en werken daar al vele jaren, en zijn ondertussen onderdeel van de samenleving geworden. Misschien is dit ook een houding en beleid voor hier in Nederland, … in Tilburg, … en ons eigen leven? Amen.
1e
lezing: Jesaja 46, 1. 6-7; 2e lezing: Rom. 11, 13-15. 29-32; evangelie: Matteüs 15, 21-28
In die tijd ging Jezus vandaar weg en week uit naar de streek van Tyrus en Sidon. Op een gegeven ogenblik trad een Kananeese vrouw afkomstig uit dat gebied naar voren, luid roepend: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld.’ Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek: ‘Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israel gezonden.’ Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei: ‘Heer, help mij!’ Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.’ ‘Wel waar, Heer’, sprak zij, ‘want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.’ Daarop zei Jezus haar: ‘Vrouw, ge hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd.’ En van dat ogenblik was haar dochter genezen.