Deze zondag die net zoals een sandwich geprangd zit tussen de twee hoogdagen van Hemelvaart en Pinksteren wordt wel eens ‘wezen’-zondag genoemd naar de belofte van Jezus: “Ik zal u niet als wezen” (Jo 14,18). Eerlijk gezegd, deze zondag doet mij meer denken aan Stille Zaterdag. De dag tussen zijn heengaan en zijn wederkomst. Een dag van stilte dus, zonder woorden, Stilte zoals de spatieruimte tussen twee woorden. Een blancoruimte die betekenis geeft aan, en verbinding legt tussen de twee woorden. Een zondag die de twee hoogfeesten verbindt: “Ik ga heen”, maar Ik zend de helper. En toch vieren wij niet de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren maar blijft het bovenal de zevende en laatste zondag van Pasen. De laatste maal met andere woorden waarop we herinnerd worden aan Jezus’ laatste samenkomst. Aan wat Hij toen gezegd en gedaan heeft. Zes achtereenvolgende zondagen hebben we telkens Een mooi fragment beluisterd van die beroemde afscheidsrede. Vandaag sluiten wij deze af met zijn hogepriesterlijk gebed. Geen geestelijk testament, geen laatste aansporing maar een gebed tot zijn en onze Vader. De Vader die begin en einde van zijn en ons bestaan. Jezus bidt dat wij mogen één zijn. Geen uniformiteit, waarbij we allemaal hetzelfde denken en doen steunend op blinde gehoorzaamheid.
Jezus heeft het over een andere eenheid. Over de eenheid die hem met zijn Vader verbond en bestond uit belangeloze trouw in woord en daad, vooral voor de zwakken. Zijn trouw voor al wie arm en ontrecht is, voor wie het licht in de ogen ontbreekt, voor wie verdrukt is (cf. Lc 4,18-19). Dat is de kern en het hart van zijn bestaan. Het is de diepste intimiteit waarin Hij zijn leerlingen en ook ons binnenleidt.
Wanneer wij dan met Jezus bidden opdat allen één mogen zijn, vragen we dat ook wij – ieder op de eigen wijze – de Geest mogen uitstralen die Jezus bezielde: de liefde van Hem die Hij zijn Vader noemde. Om die eenheid moet het gaan tussen gelovigen en kerken. Wat zou de sfeer in en tussen kerken en gelovigen dan ook veranderen Wanneer we elkaar zouden bemoedigen en waarderen. Wanneer wij de geestdrift zouden uitstralen van verloste mensen. Hoeveel energie zou er niet vrij komen voor de echte problemen van de wereld. waarvoor wij krachtens ons geloofde verantwoordelijkheid dragen. Gelukkig zijn er de vele, kleine voorbeelden om ons heen van mensen die over alle tegenstellingen heen naar de ander toegaan en in hem of haar de broeder of zuster zien. De mens, gelovig of niet, die net als wij geschapen is als evenbeeld van God.
1e
lezing: Hand. 1, 12-14; 2e lezing: 1 Petrus 4, 12-16; evangelie: Johannes 17, 1-11a
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel en zei: ‘Vader, het uur is gekomen. Verheerlijk uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijke. Gij hebt Hem immers macht gegeven over alle mensen om eeuwig leven te schenken aan allen die Gij Hem gegeven hebt. En dit is het eeuwig leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus. Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat Gij Mij hebt opgedragen te doen. Gij, Vader, verheerlijk Mij thans bij Uzelf en geeft Mij de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld bestond. Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. U behoorden ze toe; Mij hebt Gij ze gegeven en zij hebben uw woord onderhouden. Nu weten zij dat al wat Gij Mij gegeven hebt van U komt. Want de boodschap die Gij Mij hebt meegedeeld, heb Ik hun meegedeeld, en zij hebben ze aangenomen en naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd dat Gij Mij hebt gezonden. Ik bid voor hen. Niet voor de wereld bid Ik, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt, omdat zij U toebehoren. Al het mijne is van U en het uwe is van Mij. Zo ben Ik in hen verheerlijkt. Ik blijf niet langer in de wereld, zij echter blijven in de wereld, terwijl Ik naar U toe kom.