Preek van 18 januari 2026

Preek van 18 januari 2026

2zondag door het jaar

Broeders en zusters, Johannes de Doper wijst ons Jezus aan, en zegt ons wie en wat Jezus is: Zie het Lam Gods dat de zonden van onze mensenwereld wegneemt. Telkens als we de eucharistie vieren, zeggen wij het Johannes na. Als het brood gebroken wordt zeggen we tot driemaal toe: Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt ontferm U over ons en geef ons vrede. Wanneer we dat zeggen worden we uitgenodigd om bij Jezus aan tafel aan te schuiven en wederom horen we: Zie dit brood is het Lam Gods en als antwoord op die uitnodiging zegt ieder voor zichzelf: Heer ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, Maak mijn ziel toch open voor U. Pas dan ontvangen wij het door Jezus geheiligde brood. Daar wil ik wat dieper met u op ingaan. Het zijn woorden met een grote diepte en een enorme reikwijdte. Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt. Want wanneer we die woorden zeggen zeggen we ook wie we zijn en wat we zelf zijn, zouden moeten zijn maar nog steeds niet zijn. En we geven aan dat we de relatie aan willen God met Gods Zoon en met de ander die geschapen is naar zijn beeld en gelijkenis.

Wat eten we eigenlijk als wij straks het brood van het Lam van God eten? Het is brood dat is geheiligd omdat het een teken is geworden van Jezus roeping en van zijn levensverhaal hier op aarde. We eten niet alleen zijn brood, we nemen ook zijn levensverhaal tot ons. Dat is niet los van elkaar te zien. We vertellen elkaar het verhaal dat wordt samengevat in het brood dat Hijzelf zijn discipelen gaf tijdens het laatste en meest belangrijke avondmaal dat voorgoed de liturgie zou bepalen. En nu hier , hier aan zijn tafel kijken we dus niet naar het brood als brood van de bakker. Het brood dat we tot ons nemen of eigenlijk mogen ontvangen is de complete Jezus, het woord dat vlees is geworden. Wij mensen, bij de schepping door God zelf geboetseerd uit de aarde, letterlijk opgebouwde uit de aarde en waar de goddelijke Geest in is geblazen, mat alles wat er goed en minder goed is aan ons worden onderdeel van dat verhaal. De eucharistie en het levensverhaal van Jezus zijn niet los te koppelen en wij dus ook niet; wij maken onderdeel uit van dat verhaal en dat doen we steeds meer door te communiceren en deel uit te maken van het verhaal. Doen we dat echt? Niet helemaal. We moeten toegeven , we doen het niet echt, niet helemaal, Jezus verhaal moet nog steeds ons verhaal worden. Juist daarom eten we het door Hem geheiligde brood, want zo alleen kunnen we worden wie en wat we moeten zijn. Daarom bidden we om ontferming, Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld ontferm U over ons , daarom zeggen we wanneer we worden uitgenodigd aan te schuiven aan zijn tafel: Heer ik ben niet waard. We kijken namelijk verder dan het brood dat we zien, we zien er het leven in van de mens die het ons geeft, de mens die over Johannes de Doper zei, Kijk goed: Hij is de Messias, Gods mens, het Lam van God

Maar wat voor mens is Hij eigenlijk, het Lam Gods? En daaraan gekoppeld: wat voor mensen moeten wij dus ook zijn? De profeet Jesaja had het in alle scherpte al voorzien: Je moet je niet vergissen als het over God en Gods gezalfde, de Messias, gaat. Het gaat over een mens dus in wie God met al zijn macht en majesteit zichtbaar wordt. In wezen lijkt God het meest op een mens op een mens van zo goed als niets, op een bijna dood plantje in dorre grond, mensen zien eraan voorbij, die mens is bijna niet om aan te zien, het is een mens die wordt veracht, door mensen gemeden, iemand die vertrouwd is met lijden, een soort verstoteling, het lijkt wel alsof alles wat mis kan zijn met mensen op Hem neerkomt, een mens kortom als een weerloos en stemloos schaap dat naar de slachtbank wordt gesleept. Zo’n mens dus was Jezus in de ogen van de veel mensen. Wij mensen kunnen dat niet aan, niet goed in ieder geval, we verdragen niet dat God lijkt op zo’n mens. Johannes de Doper zei al: Midden onder jullie staat die mens, het Lam van God, maar jullie zien aan Hem voorbij.

Denk aan de laatste maaltijd van Jezus, aan de voetwassing. Jezus is daar de minste van allen en gaat onder ons staan. Op die manier legt Hij uit wat je eet als je zijn brood eet. En wat je dus zelf moet worden: een dienende mens; een mens die dient met liefde tot het uiterst toe; die draagt waar mensen onder gedrukt gaan; die draagt waar mensen waar mensen onder gebukt gaan, zelfs verdraagt dat zij het liefst voor god zelf willen spelen. Zo torst Hij alles wat mensen andere mensen aandoen. In zo’n mens komt Gods majesteit en macht aan het licht . Wij kunnen dat eigenlijk niet aan want we hebben andere beelden en voorstellingen van God. Wanneer Jezus op het einde van zijn leven van zijn kleren wordt ontdaan en op voorhand gegeseld terwijl hij voor de Hogepriester staat die Hem vraagt: Ben jij de gezalfde, ben jij het ware beeld van God zegt Jezus: ja dat ben ik. De hogepriester beschuldigt hem van laster en blasfemie en spreekt krachtig uit: Hij moet doof. Jezus antwoordt niet en wordt als een lam ter slachting weggevoerd.

De beroemde Russische schrijver Fjodor Dostojevski heeft het in zijn boek De Gebroeders Karamazov verteld met een parabel over een kardinaal, een kerkvorst, een opperste behoeder van de zuiverheid van het ware geloof, op jacht naar ketters. Hij wil hen verdelgen en op de brandstapel brengen. Tegelijk loopt er in de stad een oude haveloze man rond, een mens als een grote glimlach, met een oneindige compassie , een onbekende man die de mensen draagt, met hen is begaan en optilt uit een doods bestaan. Hij maakt de mensen blij. De kardinaal, ook groot inquisiteur genoemd ziet het aan en neemt hem gevangen. In de nacht ondervraagt hij hem. ‘Ben jij soms de Messias?’ Hij wil het antwoord niet horen en zegt ‘Hou je, man. Waarom kom je ons werk belemmeren. Wij doen Gods werk en u verhindert dat. Besef het goed: morgen word je ter dood gebracht’. Dan wacht hij op de reactie van de oude man. De oude man loopt op hem toe en kust hem op het voorhoofd. Dat is zijn antwoord. De Groot Inquisiteur begint te beven, doet de deur van de gevangenis open en zegt : ‘Ga in Godsnaam weg en kom nooit meer terug’. De oude man verdwijnt in het duister. In God is geen geweld , Hij is als een lam.

Broeders en zusters, straks zeggen we weer: ‘Lam Gods dat wegneemt de zonden van de wereld’ en horen we: ‘Zie dit is het lam Gods’. We eten zijn levensverhaal door zijn brood te eten, om zo Zijn lichaam, zijn Levende tegenwoordigheid te worden door zelf een mens te zijn die met een weerloze liefde andere mensen draagt. Bidden we dat wij het de opgestane Heer in het hart horen zeggen: ’Jij hebt mij lief tot drie keer toe’. En mogen we dan één voor één schuldbewust en met vreugde zeggen: ‘Heer, Gij weet dat ik U bemin’.

1e lezing: Jesaja 49, 3. 5-6; 2e lezing: 1 Kor. 1, 1-3; evangelie: Johannes 1, 29-34
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd zag Johannes Jezus naar zich toekomen en zei: ‘Zie, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt. Deze is het van wie ik zei: Achter mij komt een man die voor mij is, want Hij was eerder dan ik. Ook ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom kwam ik met water dopen.’ Verder getuigde Johannes: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten. Ook ik kende Hem niet, maar die mij gezonden had om met water te dopen, Hij had tot mij gesproken: Op wie gij de Geest zult zien neerdalen en blijven rusten, Hij is het die doopt met de heilige Geest. Ik heb het zelf gezien en ik heb getuigd: Deze is de Zoon van God.’