Het evangelieverhaal dat we zojuist gehoord hebben vertelt de laatste dagen van Jezus’ leven: zijn intocht in Jeruzalem en de uitdrijving van de geldwisselaars uit de tempel. Hij is naar het tempelplein gegaan om zijn toehoorders te boeien met parabels en prikkelende uitspraken.
Maar er komen ook tegenstanders luisteren die pogen Hem te betrappen op riskante uitspraken. Zo willen ze horen in hoeverre Hij wel vóór of tegen de keizer is. Sluw als ze zijn sturen ze daarom twee Herodianen die keizergezind zijn met de al even sluwe vraag of het geoorloofd is aan de keizer belasting te betalen of niet?’ Voor een Jood een vraag om voorover te vallen. Maar er bestaan al even veel antwoorden die je de mond snoeren. Zoals Jezus’ antwoord aan de Herodiaan die Hem klem wou zetten. Die man krijgt uiteindelijk te horen: “‘Geef aan de keizer terug wat van de hem is en geef aan God terug wat van God is.’ Volgens Jezus gaat het immers niet om het verschil tussen de levende God en de vergoddelijkte keizer.
Hij is duidelijk: “Er is maar één God en dat is de God van onze Vaderen: de God van Abraham, Isaac en van Jakob. En… wil je God dienen, dan zul je Hem het best dienen door het met je wereldse verplichtingen op te nemen en je verantwoordelijkheid daarin ernstig te nemen. Voor Jezus zijn God en wereld niet elkaars concurrenten. Het gaat er bij Hem om, dat er in ons dagelijkse handelen sporen van God te vinden zijn. Dat betekent of iemand zorgzaam is en gewetensvol omgaat met zijn omgeving, Of een mens eerlijk is in het zakendoen, in het omgaan met de sociale wetten, en -ook zuiver handelt op het terrein van de medische ethiek, Dan laat zo iemand zien dat hij of zij In alles gehoorzaam wil zijn aan de wil van God. Met andere woorden, iemand die de naam van God met zich mee draagt, zal niet enkel in het godsdienstige leven, maar ook in het politieke, in het maatschappelijke en zal ook in het sociale leven herkenbaar zijn. Zo iemand biedt goede zorg aan alle mensen en is herkenbaar aan een werkelijke liefde voor Gods schepping.
Zoals elk Romeins geldstuk zijn waarde ontleent aan de afbeelding van de keizer, zo krijgt elke afzonderlijke mens zijn of haar waarde als beeld van God, omdat hij of zij geschapen is naar Zijn beeld om op God te gelijken (Gen 1,26).
Dierbaren, In die éne zin ‘Geef aan de keizer terug wat van de keizer is, en geef aan God terug wat van God is’, in die ene zin laat Jezus zien aan zijn volgelingen van toen én ook van nu, aan ons dus dat het nooit waar zou mogen zijn dat we hier wel heel vroom zijn in deze kerk maar niet integer zijn in onze dagelijkse doen en laten. Dat we elke zondag, oh toch zo vroom buigen en te communie gaan Maar enkele uren later de verkeersregels negeren en een gevaar zijn voor oudere mensen. Of dat een predikant het altijd zo mooi kan zeggen maar het bij ijdele welbespraaktheid blijft en een half uur later al vergeten is. Ieder van ons die naar het beeld van God geschapen is dient niet enkel in de kerk vroom te zijn maar moet als zodanig ook herkenbaar zijn in het dagelijkse sociale leven.
1e lezing: Jesaja 25, 45, 1. 4-6; 2e lezing: 1 Tess. 1, 1-5b; evangelie: Matteüs 22, 15-21
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijden gingen de Farizeeën onder elkaar beraadslagen hoe ze Jezus in de val konden laten lopen. Zij stuurden hun leerlingen met de Herodianen op Hem af met de vraag: ‘Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert; en Gij stoort U aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen. Zegt ons daarom: Wat dunkt U, is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?’ Maar Jezus doorzag hun valsheid en zei: ‘Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars? Laat Mij de belastingmunt eens zien.’ Zij hielden Hem een denarie voor. Hij vroeg hun: ‘Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?’ Zij antwoordden: ‘Van de keizer.’ Daarop sprak Hij tot hen: ‘Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.’