Preek van 19 april 2026

Preek van 19 april 2026

3e zondag van Pasen

“Ik stel me voor dat we klimmen”, aldus de Nederlandse kunstenaar Maurits Escher. “Bij elke stap overwinnen we met veel moeite ongeveer 20 centimeter. En waar zal het ons brengen? Naar nergens.” Op 18 maart 1960 legt Escher de laatste hand aan een van zijn meest iconische werken: de litho Klimmen en dalen. De prent was het resultaat van een bijzondere ideeënuitwisseling tussen de graficus en de Britse wiskundige Roger Penrose. De litho toont een groot gebouw met een zogenaamde Penrose-trap zonder einde. De treden van deze trap vormen een gesloten, cirkelvormige constructie, zoals een slang die in zijn eigen staart bijt. Op de trap verschijnen twee rijen identiek geklede mannen. De ene rij stijgt, de andere daalt af, zonder echt hoger of lager te komen. De mannen zijn continu onderweg, continu aan het klimmen of dalen naar … tja, naar waar? Naar nergens.

Maar, aldus Petrus in de eerste lezing, “wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen, Gij zult mij met vreugde vervullen voor uw aanschijn.”

Het is Pinksteren. Petrus treedt met de elf naar voren, en verheft zijn stem om tot de menigte het woord te richten. In deze lange toespraak treft men de kern van zijn boodschap in de lezing van vandaag aan, namelijk: de autoriteiten hebben Jezus afgewezen en door de Romeinen ter dood gebracht, maar God heeft hem doen opstaan “en daarvan zijn wij allen getuigen.” Dit is het thema van de prediking van deze eerste leerlingen. Zij getuigen van Jezus’ opstanding, en dat doen zij zowel in woorden als in concrete daden van naastenliefde.

In zijn toespraak tot de menigte verkondigt Petrus Jezus als koning, Heer en Messias. Zijn opstanding is de volle vervulling van Gods belofte aan David, dat hij een van zijn nakomelingen zou doen zetelen op zijn troon. Davids lichaam heeft het bederf in het graf gekend, maar zijn nakomeling, Jezus, wordt niet aan het dodenrijk overgelaten. Hij kan naar de aarde terugkeren om in naam van God te heersen en Gods koninkrijk vestigen. Het hart van Petrus’ toehoorders krimpt ineen als zij hem horen. ‘Wat moeten wij doen?’, vragen zij hem. Zij beseffen dat voor de wereld een nieuw tijdperk begint, nu Jezus koning is. Petrus maant hen zich te bekeren, zich in de naam van Jezus te laten dopen, en hun levenswandel te veranderen. Verliep hun levenstocht eerst ook als een continu klimmen of dalen op een Penrose-trap?

“Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden”, hoorden wij zojuist in het evangelie, “kwam Jezus zelf op hen toe en Hij liep met hen mee.”

Twee leerlingen zijn onderweg naar Emmaüs. Zij zijn ontgoocheld. Jezus is gestorven. Zij hebben geen reden meer om nog langer in Jeruzalem te blijven, en gaan nu hun eigen weg. O zeker, de verhalen hebben zij gehoord. Het bericht van de vrouwen dat het graf leeg zou zijn, heeft niets aan hun teleurstelling veranderd. Hoe heeft God dit kunnen toestaan? Waarom heeft Hij zijn profeet laten mislukken? Ook de boodschap van de engelen dat Jezus zou leven, heeft hen geen nieuwe hoop gegeven. Zeker, ze zijn goed geïnformeerd over wat er allemaal gebeurd is, maar begrijpen doen zij het niet. Het lijkt wel alsof zij op een Penrose-trap wandelen: continu klimmen of dalen naar … naar nergens.

En dan, opeens loopt er een vreemdeling met hun mee. In hun eenzaamheid en teleurstelling is Jezus aan hun zijde, zonder dat zij Hem herkennen. Zij vertellen hun onbekende begeleider de geschiedenis van Jezus, en alles wat in Jeruzalem is gebeurd. Jezus spreekt hen aan, en opent voor hen de Schrift. Zij moeten niet denken dat Gods plannen schipbreuk hebben geleden. Hij heeft voor zijn Messias niet het aanzien en de glorie gekozen, maar het lijden en het kruis. Met woorden alleen herkennen de leerlingen Jezus niet. Maar wanneer Jezus het brood breekt en deelt, dan pas gaan hun ogen open, en ervaren zij dat hij leeft, dat hij er is.

Een hele ingrijpende belevenis voor deze twee Emmaüsgangers. Maar, kan datgene wat zij hebben ervaren, ook niet onze ervaring zijn? Zijn ook wij niet onderweg? Mag ook ons leven niet als een levenstocht worden gezien? De ene keer ervaren wij het als iets aangenaams: een vlakke weg, aangename temperatuur, mooie omgeving. De andere keer lijkt het een overlevingstocht te zijn: slecht onderhouden wegen met hobbels en kuilen, regen en tegenwind, in een ruig en ruw landschap. Het lijkt wel alsof we op een Penrose-trap lopen. We klimmen of dalen continu, maar gaan … naar nergens. Op zulke momenten kan in en door de persoon van medemensen (bekend of onbekend), de Heer met ons mee lopen. Aanvankelijk wordt hij niet als zodanig herkend. Hij is een vreemdeling. Maar later, door een concreet woord of daad, kan het besef komen dat er toen toch iets meer was. Dat iemand met ons meeliep. Dat wij kracht, steun, hulp en inzicht hebben mogen ondervinden. Dat wij niet alleen waren.

In en door onze naaste wil Jezus met ons zijn, loopt hij met ons mee, op onze levenstocht, zowel in goede tijden alsook in minder goede. Maar, mogen wij hier dan ook niet zeggen: in en door ons wil God bij en met onze naasten zijn, loopt hij met hun mee, op hun levenstocht? Want heeft hij geen andere handen, dan alleen onze handen? Heeft hij geen andere voeten, dan alleen onze voeten? Heeft hij geen andere mond, dan alleen onze mond? Indien dat zo is, zullen wij dan nog continu klimmen of dalen op een Penrose-trap? Amen.

1e lezing: Hand. 2, 14. 22-32; 2e lezing: 1 Petrus 1, 17-21; evangelie: Lucas 24, 13-35
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Zie, twee van de leerlingen van Jezus waren op die dag – de eerste van de week - op weg naar het dorp Emmaüs, dat zestig stadiën van Jeruzalem ligt. Ze spraken met elkaar over alles wat voorgevallen was. Terwijl ze met elkaar in discussie waren, voegde Jezus zelf zich bij hen en liep met hen mee. Maar hun ogen waren niet bij machte Hem te herkennen. Hij sprak tot hen: `Waarover lopen jullie zo druk met elkaar te praten?' Met sombere gezichten bleven ze staan. Een van hen, die Kleopas heette, gaf Hem ten antwoord: `Bent U dan de enige inwoner van Jeruzalem die niet weet wat daar de afgelopen dagen is gebeurd?' `Wat dan?' vroeg Hij. Ze zeiden Hem: `Wat er gebeurd is met Jezus van Nazaret. Hij was een profeet, machtig in woord en daad in de ogen van God en van heel het volk. Onze hogepriesters en leiders hebben Hem overgeleverd om Hem ter dood te laten veroordelen, en ze hebben Hem zelfs gekruisigd. En wij hadden zo gehoopt dat Hij het was die Israël zou verlossen, maar inmiddels is het al de derde dag sinds dat gebeurd is. Wel hebben enkele vrouwen uit onze kring ons versteld doen staan. Die waren vanmorgen vroeg naar het graf gegaan en toen ze zijn lichaam daar niet aantroffen, kwamen ze terug met het verhaal dat ze ook nog een verschijning hadden gehad van engelen die zeiden dat Hij leeft. Een paar van ons zijn toen naar het graf gegaan en het bleek zo te zijn als de vrouwen gezegd hadden, maar Hem hebben ze niet gezien.' Toen zei Hij tot hen: `Wat zijn jullie toch onverstandig en traag van begrip als het gaat om het geloof in alles wat de profeten hebben gezegd! Moest de Messias niet zo lijden en dan zijn heerlijkheid binnengaan?' En Hij legde hun uit wat in heel de Schrift op Hemzelf betrekking had, te beginnen bij Mozes en alle Profeten. Toen ze bij het dorp kwamen waar ze moesten zijn, deed Hij alsof Hij verder wilde gaan. Maar met aandrang vroegen ze: `Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt al ten einde.' Toen ging Hij mee naar binnen om bij hen te blijven. Eenmaal met hen aan tafel nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun. Nu gingen hun de ogen open en ze herkenden Hem, maar meteen was Hij uit hun gezicht verdwenen. Ze zeiden tegen elkaar: `Was het niet hartverwarmend zoals Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons opende?' Meteen stonden ze van tafel op en gingen terug naar Jeruzalem; daar vonden ze de elf en hun metgezellen bijeen. Die zeiden: `Waarachtig, de Heer is opgewekt, aan Simon is Hij verschenen.' Toen vertelden zij wat er onderweg was gebeurd en hoe ze Hem hadden herkend bij het breken van het brood.