“Wij zijn als panda’s, zeldzaam maar nog niet uitgestorven.” Aan het woord is Patrick, een 46-jarige man die op de Haagse Markt een kraam heeft. De Haagse Markt, het is de grootste onoverdekte markt van Nederland. Het is een dorp binnen de stad, met zijn eigen mores en bewoners van diverse pluimage. Sommigen staan al generaties lang op de markt, anderen komen pas net kijken. Patrick is er zowat daar geboren. Hij is de derde generatie van zijn familie die daar staat. Een niet te missen kraam op een hoek met veel groen en geel én Nederlandse vlaggen. De opa van Patrick stond met munten en postzegels op de markt. Zijn vader stapte over op stereotorens, en ging gsm’s erbij doen toen die in opkomst kwamen. En Patrick?
“Komt naar het water gij allen die dorst lijdt”, aldus God in de eerste lezing. “… Komt kopen, eet zonder geld en zonder te betalen.”
Het volk is in ballingschap weggevoerd en verblijft nu in Babylon. In de lezing van vandaag voert Jesaja God ten tonele als een marktventer: “Komt kopen, geniet zonder geld en zonder te betalen. Komt kopen wijn en melk.” Het zijn tekenen van de overvloed van het heil dat God zijn volk aanbiedt. Het is gratis. Het is de enige manier waarop zij die niets hebben kunnen kopen. Vervolgens stelt Jesaja een vraag: “Waarom besteedt u geld aan wat geen brood is… aan wat niet verzadigt?” Het is een actuele vraag. Niet alleen omdat ‘wij rijken’ geld uitgeven aan nutteloze zaken, maar ook omdat we geld uitgeven aan knutselvoedsel dat niet voedt, maar wel duur is en het milieu overmatig belast.
Natuurlijk zijn water, koren, melk en wijn óók metaforen. Echt water, écht voedsel, dat is het woord van God. Wie het woord van God onderhoudt, zal vanzelf brood, koren, melk en wijn geven aan wie niets hebben. Wie zo leeft zal geen geld verspillen - ook niet op de markt - aan producten die niet voeden. Niet voor niets zegt de profeet later: ‘onderhoud het recht, beoefen de gerechtigheid’. Jesaja kijkt verder dan onze lezing lang is. De overvloed van Gods woord is niet voor de eigen groep gereserveerd. Bij Jesaja zijn geen hekwerken en pushbacks om de eigen overvloed te beschermen. Nee, op de markt zijn ook de ander en de vreemdeling van harte welkom.
“Hij nam de vijf broden en de twee vissen”, hoorden we zojuist in het evangelie, “sloeg de ogen ten hemel, en nadat hij de zegen had uitgesproken, brak hij de broden die hij aan zijn leerlingen gaf, en de leerlingen gaven ze weer aan het volk.”
Jezus heeft net van de onthoofding van Johannes de Doper gehoord en wijkt nu voor de lange arm van koning Herodes uit. Hij gaat naar een eenzame plaats om alleen te zijn. Alleen, lang zal dat ‘alleen zijn’ niet duren. Vijfduizend mannen worden er genoemd. Maar feitelijk zijn het een paar duizend meer, want vrouwen en kinderen zijn niet meegeteld. Zij waren er dus wel. Het is opmerkelijk dat Matteüs hen überhaupt noemt, want bij Marcus - de bron van Matteüs - worden zij helemaal niet genoemd. Ook worden de mensen bij Marcus in groepjes bij elkaar gezet, terwijl ze bij Matteüs ‘aanliggen’. Door zo op het gras plaats te nemen, grijpt Matteüs vooruit op de messiaanse maaltijd, waar men allen aan één tafel zit.
Ofschoon Matteüs’ bewerking van Marcus de verwijzing naar het laatste avondmaal versterkt, ligt het accent hier toch op het delen door de leerlingen: “jullie moeten hun te eten geven.” De leerlingen hebben nog het idee dat iedereen voor zichzelf moet zorgen. Maar hoe kunnen nou duizenden mensen bij het vallen van de avond nog eten kopen? Met de schijn van redelijkheid maskeren de leerlingen hun gebrek aan vertrouwen dat de messiaanse toekomst er nu al is. Het gaat hier dan ook niet over Jezus die vijfduizend mensen te eten geeft. Sterker nog: Jezus geeft helemaal geen eten, de leerlingen doen dat. En het gaat hier ook niet over vijfduizend mensen, maar over veel meer. De kern van het verhaal is dan niet zozeer de ‘wonderbare’ spijziging, maar veeleer het doen van Gods woord: delen wat je hebt met anderen. Dwars tegen onze moderne economie in, blijkt de bijbelse economie van delen toch de honger van grote groepen mensen te kunnen stillen.
In de lezingen van vandaag staat het doen van Gods woord centraal. Zo hoorden we in de eerste lezing dat wie het woord van God onderhoudt, vanzelf brood, koren, melk en wijn zal geven aan wie niets heeft. Wie zo leeft zal geen geld verspillen - ook niet op de Haagse of Tilburgse Markt - aan producten die we niet nodig hebben. En in de evangelielezing gaat het niet zozeer over een ‘wonderbare’ spijziging, maar veeleer over het helpen van mensen - bekend en onbekend - die in nood zijn, zoals: de hongeren te eten geven, de dorstigen te drinken geven, de vreemdelingen opnemen, ...
Zijn mensen die hun dagelijks leven zo leiden inderdaad als panda’s, zeldzaam maar nog niet uitgestorven? Of misschien ook niet? Wellicht hangt het antwoord hierop van ons af, van onze eigen persoonlijke keuzes. Het begin is nog klein. Maar uiteindelijk zal het als een olievlek uitbreiden en zelfs groter worden dan de grootste onoverdekte markt van Nederland. Amen.
1e
lezing: Jesaja 55, 1-3; 2e lezing: Rom. 8, 35. 37-39; evangelie: Matteüs 14, 13-21
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd, toen Jezus van de dood van Johannes de Doper had gehoord, week Hij vandaar in een boot weg naar een eenzame plaats om alleen te zijn. Maar het gerucht hiervan drong tot het volk door en het ging Hem te voet uit hun steden achterna. Toen hij bij zijn landing dan ook een grote menigte zag, kreeg Hij diep medelijden met hen en Hij genas hun zieken. Tegen het vallen van de avond kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden: ‘Deze plek is eenzaam en het is al laat op de dag. Stuur dus het volk weg om in de dorpen eten te gaan kopen.’ ‘Het is niet nodig dat zij weggaan,’ zei Jezus hun, ‘geeft gij hun maar te eten.’ Doch zij antwoordden: ‘Wij hebben hier niet meer dan vijf broden en twee vissen.’ Waarop Jezus sprak: ‘Brengt die dan hier.’ En hij gaf opdracht dat het volk zich zou neerzetten op het gras. Hij nam de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, en nadat Hij de zegen had uitgesproken, brak Hij de broden die Hij aan zijn leerlingen gaf en de leerlingen gaven ze weer aan het volk. Allen aten tot ze verzadigd waren en aan overgebleven brokken haalde men nog twaalf volle korven op. Het waren ongeveer vijfduizend mensen die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet meegerekend.