Dierbaren, mochten we aan kinderen Jezus’ gelijkenis uit het Evangelie vertellen en naar hun gevoelens vragen, dan hebben we alle kans dat ze vrij gedecideerd tegen de landeigenaar zullen zijn. Een kind heeft immers een scherp rechtvaardigheidsgevoel en wordt vlug boos bij een ongelijke behandeling. Wij, volwassenen zouden het afwijzen als onrealistisch en tegendraads met het fundament van de sociale ethiek. Zelfs Jonge mensen zouden het zonder blozen ook meteen van tafel wegvegen. Jammer is dat, want men gaat dan voorbij aan het shockeffect dat met een parabel als deze wordt verwekt, want Jezus’ gelijkenis stelt ons een vraag naar een persoonlijk antwoord. De vraag onder meer: ‘En ik? Herken ik me in de verongelijkte arbeider? Of herken ik me in de arbeider van het laatste uur?’ Ditmaal vertelt Jezus deze confronterende parabel, niet om zich tegenover zijn bekende tegenstanders te verdedigen. Hij wil iets aan Petrus en aan de twaalf verduidelijken over de wijze waarop God in zijn Rijk – zoals die landeigenaar in zijn wijngaard – met ons omgaat. Want Jezus wil met een beeld verduidelijken wat het betekent: “De laatsten zullen de eersten zijn”. God denkt en handelt niet vanuit het menselijke verstand, waar het principe heerst: ‘Voor wat, hoort wat’. Zo berispt Jezus zijn leerlingen omdat ze de kinderen afwijzen en zegent Jezus ze om aan te tonen dat deze ‘laatsten’ voor Hem de ‘eersten’ zijn. Want net als zoveel anderen behoren zijn leerlingen óók tot de laatsten. En precies deze laatsten, de arbeiders van het elfde en allerlaatste uur beheersen de ontknoping, de pointe van Jezus’ verhaal. De onverwachte handelswijze van de landeigenaar ten aanzien van de laatste arbeiders, zorgt dus voor de shock. Zoals de landeigenaar handelt, net zó is God rechtvaardig en zal Hij zijn geloften gestand doen. “Alleen God is goed” had Jezus daarvoor nog tegen de rijke jongeling gezegd (Mt 19,17) en dat blijkt vooral uit Gods voorkeur voor al wie over het hoofd wordt gezien. Voor wie geen kans krijgt, wie net te laat komt wanneer de prijzen zijn uitgedeeld. Wie telkens voorbijgestoken wordt door de slimme, de sluwe, de charmeur die zichzelf goed kan verkopen, of door degene die het hardst kan roepen. Gods voorkeur gaat uit naar wie eerder gefaald heeft en daarop nagewezen en afgeschreven wordt. Dát zijn de mensen aan wie God zal vragen: ‘ Wat staat gij hier heel uw leven nutteloos en moedeloos te wachten? Komt ook gij allen en wel als eersten, Ik zal jullie geven wat billijk is’.
Wij allen hebben van jongs af een onuitroeibare neiging om onszelf met een ander te vergelijken. Ik bén jonger, ik bén knapper, of: “Ho!, Daarmee heb ik geen moeite mee! ” Op die manier laten we onze identiteit bepalen door ons te vergelijken met anderen. Ons kwade oog fixeert verschillen en tegenstellingen waarmee we de ander en onszelf vertekenen. De parabel van de heer die arbeiders uitnodigt voor zijn wijngaard wil deze vertekening wegwerken door ons een spiegel voor te houden. Wij zijn allemaal werkeloos! Want wanneer het om de wijngaard van ons leven gaat, moeten we toegeven dat wijzelf daar niets aan gedaan hebben. De wijngaard, de wereld, ons leven is ons geschonken als kans. Zonder enige prestatie van onzentwege, mochten we deelnemen aan het volle leven. Daarin zijn we allemaal gelijk en daar kan niemand aanspraak op maken. Het is ons zomaar, belangeloos voor niets geschonken. Dat is de diepe betekenis van die spreuk die in de parabel wordt genoemd:‘ De laatsten zullen de eersten en de eersten zullen de laatsten zijn.’ Ook het aantal uren is niet van belang, maar wel het feit zelf dat we er mogen wézen.
Een mooi voorbeeld uit mijn kinderjaren kan dat illustreren. Wanneer er aan mijn oudere broer in de school gevraagd werd om deel te nemen aan het schooltoneel was dat voor hem op zich al een uitverkiezing. Een kans tot deelname, niet om op te scheppen maar om dankbaar te zijn voor de geboden kans zich als jonge mens te kunnen ontplooien. En eenmaal de opvoering voorbij was en er verdiend applaus klonk was niet de geslaagde prestatie voor mijn broer de ware beloning maar de geboden en opgedane ervaring. Want zijn klasgenoten hadden die kans niet gekregen.
Tot slot, dierbaren, dit nog, Geeft God aan ieder van ons eigenlijk ook niet veel meer dan wat strikt nodig en rechtvaardig is? Waarom voelen wij ons dan vaak zo vlug verongelijkt? Of om af te sluiten met de woorden uit de gelijkenis: Waarom zijn wij dan zo vaak kwaad om al die geschonken goedheid?
1e
lezing: Jesaja 55, 6-9; 2e lezing: Fil. 1, 20c-24. 27a; evangelie: Matteüs 20, 1-16a
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd verhaalde Jezus de volgende gelijkenis: ‘Met het Rijk der hemelen is het als met een landeigenaar die vroeg in de morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard. Hij werd het met de arbeiders eens voor een denarie per dag en stuurde ze naar zijn wijngaard. Rond het derde uur ging hij er weer op uit en zag nog anderen werkloos op de markt staan tot wie hij zei: Gaat ook naar mijn wijngaard en ik zal u geven wat billijk is. En zij gingen. Rond het elfde uur ging hij opnieuw uit en vond er weer anderen staan. Hij zei tot hen: Wat staat ge heel de dag werkloos? Ze antwoordden hem: Niemand heeft ons gehuurd. Daarop zei hij tot hen: Gaat ook gij naar mijn wijngaard. Bij het vallen van de avond sprak de eigenaar van de wijngaard tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders en betaal hun uit, te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten. Toen de arbeiders van het elfde uur kwamen, kregen zij elk een denarie; toen nu ook de eersten kwamen, meenden dezen dat zij meer zouden krijgen, maar ook zij kregen ieder de overeengekomen denarie. Ze namen hem wel aan, maar begonnen tegen de landeigenaar te morren en zeiden: Dezen hier, die het laatst gekomen zijn, hebben maar een uur gewerkt en gij stelt ze gelijk met ons die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen. Maar hij antwoordde een van hen: Vriend, ik doe u toch geen onrecht? Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie? Neem wat u toekomt en ga heen. Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben? Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.’