Het zal waarschijnlijk wel niemand ontgaan zijn dat op dit moment in Mexico, Canada en de Verenigde Staten het WK voetbal wordt gehouden. Woonwijken en huizen zijn met oranje vlaggetjes versierd, overal duiken er voetbal-, Oranje- en WK-liedjes op, en iedere dag een avondvullend programma op tv. Live-uitzendingen van voetbalwedstrijden, met daarvoor en daarna analyses door deskundigen. Het zal u dan ook wel niet verbazen dat we nu - in deze WK-tijd - geen preek hebben, maar een nabeschouwing op de lezingen van vandaag.
“Daar heb je ‘Ontzetting-overal’. Breng hem aan”, aldus Jeremia in de eerste lezing, “Ja, we brengen hem aan. Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen.”
Jeremia is in de 7e eeuw v.Chr. in een priesterfamilie geboren, en behoort daardoor tot de gevestigde orde. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachting dat hij ooit als profeet zal optreden. Profeten zijn namelijk de grote critici van het establishment, en treden als Gods woordvoerder op. Zij zijn in staat om Gods visie op de maatschappij in woord en daad te vertolken.
Zo kan een profeet, op grond van zijn diepe spiritualiteit, met Gods ogen naar de actualiteit van zijn dagen kijken. Daarbij doet hij een beroep op het verleden, en wijst waarschuwend naar wat er allemaal is gebeurd: ‘pas op, toen is het fout gegaan, bega nu niet weer dezelfde stommiteit.’ Daarnaast kan hij ook naar de toekomst wijzen, in de trant van: ‘denk erom, als we zó doorgaan, loopt het verkeerd af’.
Naar deze woorden luisteren wij niet graag. Jeremia wordt dan ook vaak genoemd: ‘ontzetting-overal’, ‘overal paniek’. Zijn toehoorders wachten op zijn val en nemen, in een ironische wending, de woorden van Jeremia over die beschrijven hoe God hem heeft overweldigd: ‘misschien laat hij zich misleiden; dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.’ Deze woorden klinken dreigend in de oren. En toch. Uiteindelijk zal Jeremia niet door zijn vijanden worden overwonnen. God is zijn heldhaftige strijder, zijn kampioen die hem verdedigt en al zijn vijanden verslaat. Daarom zullen de vijanden struikelen - een rode kaart krijgen - en niet Jeremia, en als verliezers van het veld afdruipen.
Want, aldus Jezus tot zijn apostelen: “weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden, maar niet de ziel; vreest veeleer Hem die èn ziel èn lichaam in het verderf kan storten.”
De twaalf apostelen staan op het punt om door Jezus te worden uitgezonden. Maar eerst houdt hij voor hen een lange zendingsrede. Overal, aldus Jezus, waar de apostelen de blijde boodschap gaan verkondigen, zal er tegenstand zijn. Wanneer die tegenstand tot openlijke vijandigheid escaleert, hoeven zij niet bang te zijn. Immers, omdat Jezus degene is die de apostelen uitzendt, en omdat zij niet kunnen verwachten dat zij beter dan hun leraar worden behandeld, moeten zij hun natuurlijke angst voor hun tegenstanders overwinnen en trouw blijven aan hun roeping. Weest dus niet bang voor hen, aldus Jezus aan het begin van de evangelielezing.
Het zijn dus niet de tegenstanders die de apostelen moeten vrezen, maar veeleer God zelf. God kan hen tot de eeuwige dood veroordelen. Maar de medaille heeft twee kanten: God de Vader, die over de mussen waakt en het aantal haren op ieders hoofd kent, zal ook voor zijn leerlingen zorgen bij alles wat zij in dienst van het evangelie moeten doorstaan. Deze ietwat overdreven uiting is effectief. God zal de apostelen niet tegen het lijden beschermen - want zelfs Jezus moest het lijden ondergaan - maar wel zal Hij altijd bij hen zijn, hen bijstaan in goede tijden en minder goede, en hen door het lijden heen naar het eeuwig leven leiden.
‘Vreest niet’ en ‘weest niet bevreesd’ lijken het thema van de lezingen van vandaag te zijn. Zo is in de eerste lezing Jeremia er zó zeker van dat de Heer bij hem is, dat hij op het eind van de lezing Gods overwinning op zijn belagers verkondigt alsof die al is gebeurd. En volgens het evangelie zijn de leerlingen in Gods hand geborgen, en kan niets of niemand hen daaruit nog roven.
Treffen we een soortgelijk vertrouwen, een soortgelijk godsvertrouwen, misschien ook niet bij ons aan? Binnen de context van ons eigen dagelijks leven? Hebben ook wij soms niet een gevoel van Viva Hollandia en ervaren wij, althans figuurlijk gesproken, dat de leeuw eraan komt? Of laten we hem veeleer in z’n hempie staan? Laten ook wij ons dagelijks niet uit ‘t veld slaan, en kunnen wij de hele wereld aan? Of trekken we iedere dag toch liever pantoffels aan? En wanneer wij in ons leven een nederlaag kordaat hebben geïncasseerd, kunnen wij - met onze daden en doen - dan toch weer verder, en de toekomst met vertrouwen tegemoet zien? Moeilijke vragen. Vragen die niet een, twee, drie te beantwoorden zijn. Of misschien toch wel? Amen.
1e
lezing: Jeremia 20, 1-13; 2e lezing: Rom. 5, 12-15; evangelie: Matteüs 10, 26-33
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd zei Jezus tot zijn apostelen: “ Weest niet bang voor de mensen. Want niets is bedekt of het zal onthuld, niets is verborgen of het zal bekend worden. Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht, en wat ge u in het oor hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken. Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel; vreest veeleer Hem die en ziel en lichaam in het verderf kan storten in de hel. Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver? En toch zal buiten de wil van uw Vader niet een mus op de grond vallen. Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld. Weest dus niet bevreesd; gij zijt toch meer waard dan een zwerm mussen. Ieder die Mij bij de mensen belijdt, hem zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader die in de hemel is. Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen zal Ik ook verloochenen tegenover mijn Vader die in de hemel is.”