Preek van 23 augustus 2026

Preek van 23 augustus 2026

21e zondag door het jaar

Dierbaren, Ik veronderstel dat deze evangelieperikoop uit het Mattheüsevangelie u bekend voorkomt en u hem mooi vindt omwille van zijn confronterende vraag. Omdat dit verhaal drie versies heeft en Matteüs het oorspronkelijke verhaal van Marcus heeft uitgebreid met Petrus’ aanstelling is het belangrijk om enkele misverstanden uit de weg te ruimen.

Zo doelt Mattheüs met het Rijk der hemelen niet het hiernamaals of het eeuwige leven. Dit Rijk grijpt hier en nu plaats, waar mensen Christus navolgen. En die sleutels hebben niets met de hemelpoort te maken noch met Petrus’ macht over wat recht en krom is. Wel treedt Petrus bij Mattheüs telkens op in naam van de leerlingen Petrus staat dus hier als symbool voor ieder van ons. Het oorspronkelijke Petrusambt had daarmee aanvankelijk niets van doen met leiding of met gezag. Pas drie eeuwen later kreeg de Paus dit gezag. Petrus is in het evangelie een vertegenwoordiger. En wat Jezus tot Petrus zegt, zegt Hij tot ieder van ons.

Stel je bijvoorbeeld eens voor dat Jezus vandaag hier in deze abdijkerk met de loopmicro de ronde doet en aan enkelen de vraag zou stellen: “Sjef, Marianne of Clemens, zeg eens wie Ik ben voor u?’ Welke antwoorden zou Hij krijgen? “Meneer, ‘k zou ’t echt niet weten.” of: “Daar heb ik eerlijk gezegd nog nooit bij stilgestaan.”, of nog: “Meneer, geef je mij vijf minuten bedenktijd?” “Neen”, zou Hij zeggen, “ik hoef echt niet te weten hoe ik in de Bijbel of in andere boeken word genoemd, ook niet wat Edward Schillebeeckxs en zelfs niet wat Josef Ratzinger over mij schrijven. Steek je niet weg achter theologen. Ik wil jóuw antwoord weten!” Want het gaat Jezus niet om de woorden die we dan uitspreken maar om onze overtuiging, om ons geloof waarmee we antwoorden.

Toen ik jaren geleden mijn kamer van het ziekenhuis betrok, stelde ik me beleefdheidshalve voor aan Jeanne, mijn toekomstige kamergenote: “Broeder David van KH, een mens net als iedereen.” Even later zei Jeanne vanuit het diepste van haar hart: ‘Broeder David, mag ik je iets vragen?’ ‘Natuurlijk’, en ik nam plaats omdat ik benieuwd was naar haar vraag. Heel langzaam, ieder woord beklemtonend, vroeg ze: ‘Je bent monnik! Gelooft jij écht in God?’ ‘Ja, Jeanne, natuurlij. Anders was ik geen monnik geworden.’ ‘Maar,’ ging ze verder ‘wanneer ik bij een hoogfeest op de TV de paus zie en al die suffende kardinalen, dan vraag ik me wel eens af: zouden die nu allemaal écht geloven?’ Gelukkig moest ik deze retorische vraag niet beantwoorden. Ik had reeds voldoende geantwoord want Jeanne vroeg niet ‘wat’ maar ‘hoe’ ik zou antwoorden. En juist dat stelde haar voldoende tevreden. Ze was bevestigd en gesterkt in wat ook zij geloofde.

Op eenzelfde wijze vraagt Jezus vandaag aan ieder van ons naar wie Hij is, en daarmee naar wat ik en jij nu écht gelooft. Hij schudt mij als het ware wakker, en vraagt eigenlijk of ik besef wat ik hier doen. Beleef ik keurig alle voorschriften en de Regel zoals de Farizeeën? Of gaat het bij mij en bij u om onze ‘relatie’ met Hem? Om de liefde voor Hem of om onze dankbaarheid voor Hem? Misschien worden wij een tijdje stil om dan aarzelend te fluisteren: Ik… ik wil U zien en volgen, waarheen Gij ook gaat.

Petrus’ antwoord was eerlijk, recht voor de vuist. Petrus, niet de meest beminnenswaardige leerling, Iemand die vandaag zeker is, en morgen, als het erop aankomt, verraad pleegt aan die Jezus en aan zichzelf. De radicale volgeling die het twee minuten later laat afweten.

Ik denk daarbij aan een groepsgesprek met eindejaars studenten theologie. Zoals gebruikelijk stelden ze mij de klassieke vragen. Naar het einde nam ik het initiatief over en vroeg aan ieder naar zijn studiekeuze voor theologie. Velen kozen ervoor om zich verder te specialiseren Terwijl anderen dachten eraan om predikant te worden. Eén student verraste mij met zijn rustig maar zelfverzekerd antwoord: “Ik studeer theologie uit liefde voor Jezus omdat Hij ook voor mij gestorven is” Een antwoord om nooit te vergeten. Hopelijk ook ons antwoord aan Jezus wanneer wij hier wekelijks rond zijn tafel mogen zitten: “Ik doe het voor U, Jezus, omdat ik U lief heb!”

1e lezing: Jesaja 22, 19-23; 2e lezing: Rom. 11, 33-36; evangelie: Matteüs 16, 13-20
In die tijd toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was, stelde Hij zijn leerlingen deze vraag: ‘Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?’ Zij antwoordden: ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten.’ ‘Maar gij’, sprak Hij tot hen, ‘wie zegt gij dat Ik ben?’ Simon Petrus antwoordde: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ Jezus hernam: ‘Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is. Op mijn beurt zeg ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn.’ Daarop verbood Hij zijn leerlingen nadrukkelijk iemand te zeggen, dat Hij de Christus was.