Preek van 25 oktober 2026

Preek van 25 oktober 2026

30e zondag door het jaar

De gezamenlijke kerken zijn afgelopen week een actie begonnen om vluchtelingen tijdelijk op te vangen. Ze roepen plaatselijke kerken en parochies op om statushouders onderdak te bieden. Dat kan bijvoorbeeld een bijzaal van een kerk zijn, een leegstaande pastorie, een deel van een klooster of een vakantiewoning. Dit idee - aldus de Raad van Kerken - is vanuit gastvrijheid, barmhartigheid en solidariteit ontstaan. Op deze wijze kunnen de statushouders alvast hun nieuwe omgeving leren kennen. “De actie van de Raad van Kerken sluit goed aan bij hoe we als kerken gastvrije plekken willen zijn,” zegt de scriba bij de Protestantse Kerk Amsterdam. Vanuit de bijbelse traditie en het christelijk-sociaal denken past het, vindt hij, om naar vreemdelingen en vluchtelingen om te zien.

“Gij moet een vreemdeling niet slecht behandelen”, aldus de Heer in de eerste lezing, “en hem het leven niet moeilijk maken, want ge hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond.”

Het volk Israël bivakkeert nog steeds bij de berg Sinaï, waar het regels en wetten heeft ontvangen voor het dagelijkse leven: wetten over slaven en hun vrijlating, wetten bij het mishandelen en/of doden van mensen, wetten over diefstal, mededogen, rechtvaardigheid et cetera.

De eerste lezing gaat over het laatstgenoemde item: mededogen en rechtvaardigheid. Oftewel wetten, die de belangen van de sociaal zwakken in de samenleving - zoals: de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, en de armen - behartigen. Het blijft hier niet alleen bij een regel, bij een verbod om bijvoorbeeld vreemdelingen uit te buiten of te onderdrukken. Maar ook het ‘waarom’ van de regel wordt hier toegelicht: ‘want jullie zijn zelf vreemdelingen in Egypte geweest.’ Deze toelichting is het fundamentele uitgangspunt en de onderbouwing van hoe mensen naar Gods hart in een samenleving met elkaar om moeten gaan. God heeft de mensen - heeft ieder mens - naar zijn beeld en gelijkenis geschapen. Dat betekent dat niet alleen alle mensen gelijkwaardig zijn - dus ook de vreemdelingen - maar dat wij ons ook uitgenodigd mogen weten tot solidariteit tegenover onze hulpbehoevende medemens. De naaste, die geen verre onbekende van ons is, maar vlakbij, temidden van Gods volk leeft.

“Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand”, antwoordt Jezus de wetgeleerde, “… en uw naaste als uzelf.”

Na de discussie van Jezus met de Farizeeër en de Herodianen over de belasting aan de keizer, en met de Sadduceeën over de verrijzenis, verhaalt Matteüs ons een derde twistgesprek, ditmaal met een wetgeleerde over het ‘voornaamste gebod’. “Meester”, aldus de wetgeleerde tot Jezus, “wat is het voornaamste gebod in de Wet?”

De vraag ‘wat is het voornaamste gebod?’ betekent eigenlijk: welk is het kernwoord van de Schrift, waaruit je al het andere kunt afleiden? Op deze vraag zijn verschillende antwoorden mogelijk. Het is een kwestie van interpretatie. In de boeken Genesis tot en met Deuteronomium staan alles bij elkaar zo’n 248 geboden en 365 verboden, samen 613 wetsbepalingen. Niet te verwonderen dat de rabbijnen ijverig op zoek waren naar de kern van de zaak. “Meester”, aldus de wetgeleerde, “wat is het voornaamste gebod in de Wet?”

In zijn antwoord verbindt Jezus het gebod om God lief te hebben uit Deuteronomium met het gebod om de naaste lief te hebben als jezelf uit Leviticus. Tweemaal wordt hier het Griekse werkwoord agapaoo gebruikt, liefhebben. Dit liefhebben omvat de totale mens: zijn verstand, zijn gevoel, zijn mogelijkheden. Het heeft te maken met respect, eerbied en commitment. Halfslachtigheid valt hier dus niet onder. Op deze wijze verbindt Jezus de verticale relatie van mensen tot God met de horizontale relatie van mensen onderling en vice versa. Anders gezegd: de liefde tot God - die zelf liefde is - moet in de liefde tot de naaste concreet worden gemaakt. En de liefde tot God wordt in de liefde tot de medemens zichtbaar. Deze twee geboden zijn ‘als twee druppels water’. Ze horen bij elkaar. De een kan niet zonder de ander.

En de wetgeleerde? Wat was zijn reactie op dit antwoord van Jezus? Was hij hiermee akkoord? Of niet? De lezing van vandaag zegt hier niets over. We weten het niet. De evangelielezing heeft aldus een open einde. En het is aan ons om op deze vragen een antwoord te geven. Misschien dat de eerste lezing ons hierbij kan helpen. Want hierin hoorden wij dat de Israeliëten de vreemdeling niet slecht mag behandelen, omdat zij zelf als vreemdelingen in Egypte hebben gewoond. Dit houdt in: ieder mens is naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, en derhalve gelijkwaardig, … dus ook de vreemdeling.

Niet alleen toen, maar ook nu, vandaag de dag. Want ook vandaag de dag wordt de liefde tot God concreet in de liefde tot de medemens. Tot ìedere medemens! Zonder onderscheid! Zonder onderscheid naar afkomst, geaardheid, ras en religie. Maar de keuze hiertoe ligt uiteindelijk bij ons. Welke keuze durven wij te maken? Misschien toch een gastvrije plek te willen zijn? Amen.

1e lezing: Exodus 22, 20-26; 2e lezing: 1 Tess. 1, 5c-10; evangelie: Matteüs 22, 34-40
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd kwamen de Farizeeen bijeen, toen ze vernamen dat Jezus de Sadduceeen de mond gesnoerd had. En een van hen, een wetgeleerde, vroeg Hem om Hem op de proef te stellen: 36 ‘Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?’ Hij antwoordde hem: ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.’ Terwijl de Farizeeen bij elkaar waren, stelde Jezus hun de vraag: ‘Wat denkt gij van de Messias? Wiens zoon is Hij?’ Zij antwoordden: ‘Van David.’ Toen zei Hij: ‘Hoe kan dan David, door de Geest bewogen, Hem Heer noemen, waar Hij zegt: De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd? Als David Hem dus Heer noemt, hoe is Hij dan zijn zoon?’ Niemand kon Hem daarop antwoord geven; en van die tijd af durfde niemand Hem nog een vraag te stellen.