Preek van 27 september 2026

Preek van 27 september 2026

26e zondag door het jaar

Broeders, Jezus vertelt vandaag een eenvoudig verhaal. Een vader heeft twee zonen. Hij vraagt de eerste: ‘Jongen, ga vandaag in de wijngaard werken.’ De zoon antwoordt: ‘Ik wil niet.’ Maar later krijgt hij spijt en gaat toch. Dan vraagt de vader hetzelfde aan zijn tweede zoon. Die antwoordt keurig: ‘Goed, heer.’ Maar hij gaat niet. Jezus stelt daarop een eenvoudige vraag: ‘Wie van de twee heeft de wil van zijn vader gedaan?’ Het antwoord is duidelijk: de eerste. Maar Jezus vertelt deze gelijkenis niet om ons te laten kiezen tussen twee zonen. Hij houdt ons een spiegel voor. Het gaat over de verhouding tussen woorden en daden, tussen beloven en doen, tussen nee zeggen en je toch bekeren. De vraag wordt daarom persoonlijk: welke zoon lijkt het meest op mij?

De vader vraagt zijn zonen om in zijn wijngaard te werken. Hij vraagt iets concreets. Er is werk te doen. De wijngaard is in de Bijbel vaak een beeld van Gods volk en Gods werk. Werken in de wijngaard betekent dan: meedoen met wat God van ons vraagt. Liefhebben, recht doen, vergeven, zorgen voor wie kwetsbaar is en verantwoordelijkheid dragen voor de wereld die ons is toevertrouwd. Opvallend is dat de vader zijn zonen aanspreekt. Hij vertrouwt hun iets toe. Zo roept God ook ons. Soms horen wij die roep in het Evangelie, soms door een ander mens, soms eenvoudig in een situatie waarin wij weten: hier wordt iets van mij gevraagd.

Gods vraag is vaak veel dichterbij dan wij denken. Iemand vraagt onze aandacht. Een mens heeft onze hulp nodig. Een broeder wacht op een eerlijk gesprek. Wij weten dat verzoening nodig is, maar stellen haar uit. Wij zien dat iets moet gebeuren, maar hopen dat een ander het zal doen. De vader zegt eenvoudig: ‘Ga vandaag werken.’ Niet morgen. Niet wanneer het beter uitkomt. Vandaag.

De eerste zoon antwoordt hard: ‘Ik wil niet.’ Hij doet zich niet beter voor dan hij is. Zijn antwoord is duidelijk een weigering. Maar daar eindigt het verhaal niet. Later komt hij tot inkeer. Hij verandert van gedachten én van richting. Zijn eerste antwoord wordt niet zijn laatste woord. Daarin ligt de hoop van deze gelijkenis. God sluit een mens niet op in zijn eerste reactie, zijn fouten of zijn verleden. Wij kunnen nee hebben gezegd en toch terugkomen. Wij kunnen verkeerd hebben gehandeld en toch opnieuw beginnen. Wij kunnen ons hebben afgesloten voor een ander en toch de deur weer openen. Bekering betekent daarom meer dan spijt hebben. Spijt kan bij een gevoel blijven. Bijbelse bekering brengt een mens in beweging. Je erkent wat verkeerd was, draait je om en zet een stap in een andere richting.

De eerste zoon zegt niet alsnog: ‘Vader, nu begrijp ik dat u gelijk had.’ Hij gaat. Dat is het beslissende. Ook wij hebben misschien meer dan eens nee gezegd tegen God. Niet noodzakelijk met woorden, maar wel door onze manier van leven. Wij wisten wat goed was, maar deden het niet. Wij hielden vast aan boosheid, oordeel of eigen gelijk. Wij lieten kansen voorbijgaan om goed te doen. Het Evangelie zegt dan niet: te laat. Het zegt: sta op en ga alsnog. 
De tweede zoon lijkt aanvankelijk de betere zoon. Hij zegt onmiddellijk: ‘Ik ga, heer.’ Het klinkt respectvol en gehoorzaam. Maar hij gaat niet. Zijn mond zegt ja, maar zijn leven zegt nee.

Juist daarom is deze tweede zoon misschien meer confronterend voor gelovige mensen. Wij kennen immers de goede woorden. Wij weten wat liefde, gehoorzaamheid, vergeving, gemeenschap en dienstbaarheid betekenen. Wij kunnen erover spreken en anderen vertellen hoe belangrijk ze zijn. Maar Jezus vraagt niet alleen wat wij zeggen. Hij vraagt wat er zichtbaar wordt in ons leven. Wij kunnen zeggen dat wij willen vergeven en ondertussen onze wrok blijven voeden. Wij kunnen spreken over gemeenschap en ons toch terugtrekken zodra iets ons niet bevalt. Wij kunnen spreken over dienstbaarheid en ondertussen verwachten dat anderen het werk doen. Wij kunnen ja zeggen en vervolgens uitstellen. Dat is de pijnlijke mogelijkheid van de tweede zoon: dat onze woorden steeds mooier worden, terwijl wij zelf niet meer in beweging komen.

Deze gelijkenis raakt daarom ook rechtstreeks aan ons monastieke leven. Wij hebben veel woorden. Wij spreken over gehoorzaamheid, broederliefde, stabiliteit, stilte, nederigheid en gemeenschap. Wij horen dagelijks de Schrift en lezen de Regel van Benedictus. Maar al deze woorden hebben alleen betekenis wanneer zij langzaam gestalte krijgen in ons concrete leven.

Gehoorzaamheid moet zichtbaar worden in bereidheid. Broederliefde in de manier waarop wij met elkaar spreken. Stabiliteit in het niet voortdurend weglopen voor wat moeilijk wordt. Nederigheid in het vermogen om te erkennen dat ik mij kan vergissen. Gemeenschap in de bereidheid verantwoordelijkheid te dragen voor het geheel. Daar ligt misschien onze eigen wijngaard. Niet ergens ver weg, maar hier. De broeder naast mij. Het werk dat gedaan moet worden. Een verantwoordelijkheid die ik liever laat liggen. Een verzoening die ik blijf uitstellen. Een opdracht waarvan ik hoop dat iemand anders haar zal overnemen. Wij kunnen heel monastiek ‘ja’ zeggen en toch blijven zitten. Dan is het Evangelie vandaag ongemakkelijk duidelijk: God vraagt niet in de eerste plaats om het goede antwoord. Hij vraagt dat wij opstaan.

Jezus vertelt deze gelijkenis tegen religieuze leiders die precies wisten wat God vroeg. Zij kenden de Schrift. Maar toen Johannes de Doper hen tot bekering riep, kwamen zij niet in beweging. Daartegenover plaatst Jezus tollenaars en prostituees. Mensen op wie anderen neerkeken. Juist zij hoorden de oproep van Johannes en veranderden hun leven. Jezus zegt daarmee niet dat het kwaad onbelangrijk is. Hij zegt iets anders: een mens wordt door zijn verleden niet voorgoed vastgelegd. Dat is troostend én confronterend. Troostend, omdat niemand buiten Gods bereik valt. Wij kunnen altijd terugkeren. Confronterend, omdat een goede reputatie, een habijt, onze gebeden of onze vertrouwdheid met religieuze woorden niet automatisch betekenen dat wij Gods wil doen. De vraag is uiteindelijk niet: heb ik altijd het juiste antwoord gegeven? De eerste zoon deed dat duidelijk niet. De vraag is: ben ik bereid mij te laten veranderen?

Misschien begint dat met eerlijkheid. Tegenover God hoeven wij niet te doen alsof ons antwoord altijd ja is. Wij mogen zeggen: ‘Heer, ik wil eigenlijk niet. Ik ben boos. Ik ben moe. Ik begrijp het niet. Ik heb er geen zin in.’ Een eerlijk nee kan dichter bij God staan dan een vroom ja waar niets op volgt. Maar wij mogen bij dat nee niet blijven staan. Er komt een moment waarop wij moeten opstaan. Misschien hoeven wij niet onmiddellijk alles te veranderen. Soms begint bekering met één stap: een gesprek aangaan, sorry zeggen, iemand helpen, verantwoordelijkheid nemen, ophouden met mopperen, werkelijk luisteren of een broeder opnieuw tegemoet gaan.

De eerste zoon veranderde niet alleen van gedachten. Zijn verandering werd zichtbaar in zijn voeten: hij stond op en ging. Daarom blijven aan het einde van deze gelijkenis twee zonen voor ons staan. De ene zei nee, maar ging. De andere zei ja, maar bleef thuis. En Christus vraagt ons: ‘Wie heeft de wil van de vader gedaan?’ 
Niet degene met de mooiste woorden. Niet degene met de beste bedoelingen. Maar degene die uiteindelijk gaat. De vader zegt ook vandaag tot ieder van ons: ‘Kind, ga vandaag in mijn wijngaard werken.’ Moge ons antwoord daarom niet alleen klinken in onze mond, maar zichtbaar worden in ons leven.

1e lezing: Ezechiël 18, 25-28; 2e lezing: Fil. 2, 1-11; evangelie: Matteüs 21, 28-32
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd zei Jezus tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: ‘Wat denkt ge van het volgende? Een man had twee zonen. Hij ging naar de eerste toe en zei: Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard. Goed vader, antwoordde deze, maar hij deed het niet. Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde. Deze antwoordde: Neen, ik wil niet; maar later kreeg hij spijt en ging toch. Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?’ Ze zeiden: ‘de laatste.’ Toen zei Jezus hun: Voorwaar, Ik zeg u: de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen. Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid; toch hebt gij hem geen geloof geschonken, terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen hem wel geloof schonken. Maar zelfs, nadat ge dit had gezien, zijt ge toch niet tot inkeer gekomen en hebt ge hem geen geloof geschonken.