Preek van 30 augustus 2026

Preek van 30 augustus 2026

22e zondag door het jaar

Broeders en zusters, soms stelt het Evangelie ons een vraag waarop we liever niet onmiddellijk antwoorden. Niet omdat we het antwoord niet kennen, maar misschien juist omdat we het maar al te goed kennen. Vandaag is het zo’n vraag:

“Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zijn leven – zijn ziel – verliest?”

Het is een vraag die dwars door de lezingen van vandaag heen loopt. En daarbij ontmoeten we twee mannen die op het eerste gezicht nauwelijks méér van elkaar zouden kunnen verschillen: Jeremia en Petrus. Jeremia is de uitgebluste profeet. Hij heeft er genoeg van. Petrus daarentegen bruist van energie. Hij wil ingrijpen. Hij wil Jezus tegenhouden. De een wil eigenlijk niet meer verder, de ander wil juist veel te veel bepalen. We zullen ons erkennen in beide figuren: ik ben er doorheen en ik ben strijdbaar. herkennen we onszelf wel in allebei.

Jeremia zegt iets buitengewoon aangrijpends: “Gij hebt mij verleid, Heer, en ik heb mij laten verleiden.” Dat zijn geen keurige vrome woorden. Hier spreekt een gekwetst mens. Een mens die ooit “ja” heeft gezegd tegen God en inmiddels ontdekt heeft wat dat ja hem kost. Jeremia had Gods woord verkondigd. Hij had gewaarschuwd. Hij had gezegd wat mensen niet wilden horen. En wat heeft het hem gebracht? Spot, weerstand, eenzaamheid. Hij wordt niet bewonderd om zijn trouw. Hij wordt uitgelachen. En dus neemt hij zich iets heel menselijks voor: Ik stop ermee. Ik spreek niet meer over God. Ik profeteer niet meer. Zoek maar iemand anders. Ik heb mijn best gedaan. Ik leg het bijltje erbij neer. Wie zich werkelijk ergens voor heeft gegeven, kent misschien iets van dat gevoel. Je begint met enthousiasme. Je hebt idealen. Je gelooft dat je iets kunt betekenen. Je zegt ja tegen een roeping, een huwelijk, een gemeenschap, een verantwoordelijkheid, een ambt. Maar na verloop van tijd ontdek je dat idealen alleen niet genoeg zijn. Mensen vallen tegen. Je valt jezelf tegen. Resultaten blijven uit. Wat je met liefde hebt opgebouwd, wordt soms met één achteloze opmerking afgebroken. Waar doe ik het eigenlijk nog voor? Dat is de profeet Jeremia. Maar vreemd genoeg kan hij niet ophouden. Hij zegt dat Gods woord in zijn binnenste wordt als een brandend vuur, opgesloten in zijn gebeente; probeert het vuur te doven, maar hij kan het niet. Of laat God hem niet los? Dat vind ik misschien wel het mooiste aan deze lezing. Het geloof van Jeremia bestaat op dit moment niet uit enthousiasme. Hij voelt helemaal geen geestelijke vreugde. Hij heeft geen prachtig antwoord op zijn problemen.

En dan Petrus. Bij Petrus zien we precies het tegenovergestelde. Vorige week hoorden we hem nog belijden: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Jezus noemt hem gelukkig. Petrus wordt de rots waarop de Kerk gebouwd zal worden. Je zou zeggen: eindelijk iemand die het begrepen heeft. Enkele verzen later blijkt hoe betrekkelijk dat begrijpen is.

Jezus vertelt dat Hij naar Jeruzalem moet gaan. Dat Hij zal lijden. Dat Hij gedood zal worden. En dat Hij op de derde dag zal verrijzen. Petrus hoort vooral de eerste twee dingen: lijden en dood. Hij komt in opstand. Zoiets mag U nooit overkomen!” Dat klinkt eigenlijk heel sympathiek zo’n trouwe supporter. Petrus houdt van Jezus. Hij wil Hem beschermen. Hij wil niet dat zijn vriend lijdt. Wat is daar verkeerd aan? Jezus vertrouwt hem niet. Hij ziet achter hem iets anders: “Ga weg, satan, terug!”

Vorige week nog de rots waarop de Kerk gebouwd wordt; vandaag een struikelblok. Dat kan blijkbaar heel dicht bij elkaar liggen.

Misschien is dat ook een waarschuwing voor ons. Dat wij nooit moeten denken: nu heb ik God begrepen. Nu weet ik hoe Hij moet handelen. Nu weet ik wat goed is voor mij, voor de ander, voor de Kerk, voor de wereld. Petrus heeft een beeld van de Messias. En in dat beeld past geen kruis. Hij wil Jezus behouden, maar dan wel de Jezus zoals Petrus Hem graag wil hebben. Dat spreekt ons ook wel aan: Wij willen veel behouden. Gezondheid. Onze positie. Onze zekerheid. Onze goede naam. Daar is op zichzelf niets verkeerds aan.

Maar Jezus stelt vandaag een andere vraag: Wat gebeurt er met je ziel wanneer behouden het belangrijkste in je leven wordt? “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.” Dat klinkt tegenstrijdig. Maar we weten eigenlijk heel goed wat Jezus bedoelt. Een mens kan zo bang worden iets te verliezen dat hij uiteindelijk niet meer leeft. Je kunt zo bezorgd zijn om je bezit dat je niet meer kunt delen. Dan word je vrek. Je kunt zo bezorgd zijn om je positie dat je anderen als bedreiging gaat zien. Dat noemen we argwaan. Je kunt zo bang zijn gekwetst te worden dat je niemand meer werkelijk dichtbij laat komen. Afstandelijkheid. Je kunt zo bang zijn fouten te maken dat je geen verantwoordelijkheid meer durft te nemen. Iets waar mens samenleving en ook onze gemeenschap mee worstelt.

Daarom vraagt Jezus:“ Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zijn ziel verliest?” Onze tijd begrijpt het woord “winnen” heel goed. We proberen we steeds meer te optimaliseren. Gezondheid moet beheersbaar zijn. Tijd moet efficiënt worden gebruikt. Prestaties moeten meetbaar zijn. En tegenwoordig belooft technologie ons steeds meer kennis, snelheid en controle.

En daar grijpt Jezus op in met een simpele vraag Hoe gaat het met je ziel?

Daar achter ligt: Wat is uiteindelijk méér waard? De wereld bezitten of je ziel bewaren? En daarmee komen Jeremia en Petrus opeens heel dicht bij elkaar. Jeremia wil vluchten omdat het hem allemaal te veel geworden is. Petrus wil het kruis vermijden omdat het hem allemaal te gevaarlijk wordt. De een zegt eigenlijk: “Ik kan niet meer.” De ander zegt: “Dit mag niet gebeuren.” En God vraagt van beiden iets anders: Laat Mij God zijn. Daar kan onze diepste bekering liggen. Niet alles beheersen. Niet alles oplossen. Maar durven vertrouwen dat ons leven uiteindelijk niet in onze eigen handen ligt. Jezus antwoord is een handreiking: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.” En om te ontdekken dat juist daar, waar wij niet langer koste wat kost proberen ons leven vast te houden, het werkelijke leven begint.


1e lezing: Jeremia 20, 7-9; 2e lezing: Romeinen 12, 1-2; evangelie: Matteüs 16, 21-27
In die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou lijden van de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden en ter dood gebracht zou worden en op de derde dag zou verrijzen. Petrus nam Hem terzijde en begon Hem te berispen: “Dat verhoede God, Heer! Dat mag U nooit gebeuren!” Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus: “Ga achter Mij aan, satan! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij denkt niet aan de dingen van God, maar aan die van de mensen.” Toen zei Jezus tot zijn leerlingen: “Als iemand achter Mij aan wil gaan, moet hij zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij, zal het vinden. Wat baat het een mens wanneer hij heel de wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn ziel? Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijkheid van zijn Vader met zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden.”