Preek van 7 juni 2026

Preek van 7 juni 2026

Sacramentsdag

Koffie, we houden ervan én we weten dat drankjes met cafeïne verschillende gezondheidsvoorde-len hebben. Maar onderzoekers van de Universiteit van Singapore schijnen onlangs een nieuw voordeel te hebben gevonden. Cafeïne zou volgens hen geheugenproblemen, die door slaaptekort zijn ontstaan, deels kunnen omkeren. De onderzoekers zouden namelijk ontdekt hebben dat slaapgebrek een bepaald deel van de hersenen verstoort dat belangrijk is voor zogenoemd sociaal geheugen: het vermogen om mensen die je eerder hebt gezien, te herkennen. Cafeïne blijkt die verstoring te kunnen herstellen en de communicatie tussen hersencellen in dat netwerk weer op gang te brengen. Ook de geheugenproblemen zouden dan deels verdwijnen. Dit klinkt allemaal heel mooi en positief, … En ons aanzetten tot ’s ochtends meer koffie te drinken?

En toch, “… de mens leeft niet van brood alleen”, hoorden we zojuist Mozes tot het volk zeggen, “maar van alles wat uit de mond van de Heer komt.”

Het volk Israël staat - na veertig jaar woestijn - op het punt om het beloofde land binnen te trekken, het land van melk en honing. Vlak voor deze intocht houdt Mozes een grote toespraak tot het volk. In feite is deze rede ontstaan toen het volk al lang en breed in het land woonde, en daar een zekere welvaart genoot.

Zo wordt in de lezing van vandaag, die uit Mozes’ toespraak genomen is, Israël opgeroepen om - te midden van die welvaart - God niet te vergeten. Veertig jaar lang leidde de Heer de tocht door de woestijn om het volk Israël dienstbaarheid en gehoorzaamheid te leren, om te zien wat er in hun harten leefde, of zij zich aan zijn geboden zouden houden of niet. Zo gaf de Heer hun manna in de woestijn, voedde hij hen met brood uit de hemel. Anderzijds tuchtigde hij hen ook, zoals een ouder zijn kind tuchtigt. Op deze wijze stelde God zijn volk op de proef om zo hun gezindheid te leren kennen. Israël op zijn beurt kwam tot het besef dat men niet van brood alleen leeft, maar ook van alles wat uit de mond van God komt. Maar nu zij eenmaal in het beloofde land wonen, en daar een zekere welvaart genieten, hebben zij dat besef nog steeds? Of zijn ook bij hen, door symbolisch slaaptekort, enige geheugenproblemen ontstaan?

“Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald”, hoorden wij zojuist in het evangelie. “Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid.”

Een menigte van mensen was zojuist nog getuige van een wonderbare spijziging. Nu volgt - en dit treft men bij de andere evangelisten niet aan - een lang gesprek van Jezus met het aanwezige volk, de zogeheten ‘broodrede’. In het eerste deel van dit gesprek verwijst het brood, in de lijn van het Oude Testament, naar het woord van God. Jezus is het levende brood dat uit de hemel is neergedaald, het mens geworden Woord van God. Het ‘brood eten’ betekent dan: dit woord gelovig aanvaarden. Wie dat doet, krijgt eeuwig leven.

Maar hiermee is alles nog niet gezegd. Vervolgens krijgt ‘brood eten’ er een nieuwe betekenis bij: “het brood dat Ik zal geven is mijn vlees” alsook “mijn vlees eten en mijn bloed drinken.” Beide zinnen roepen associaties op met de eucharistie, waarin brood en wijn tekenen zijn van Jezus’ zelfgave uit liefde. Vanuit deze optiek bezien, mag ‘het brood dat Jezus geeft’ dan ook betekenen: zijn liefde tot het uiterste toe, zelfs tot de dood aan het kruis. Daar geeft Hij zijn ‘vlees’, zijn leven, voor het leven van de wereld.

Jezus’ vlees eten en zijn bloed drinken is geen daad van menseneterij, zoals de omstanders denken, maar veeleer een daad van geloof. In geloof aanvaardt men dat Gods woord in Jezus is mens geworden, zelfs tot en met zijn sterven aan het kruis. Zo groot was zijn liefde, dat Hij zijn leven heeft gegeven ‘voor het leven van de wereld’. Daarom moeten de leerlingen het woord van God niet alleen ter harte nemen, maar het ook in praktijk brengen, in woorden en daden van naastenliefde.

Geldt hier dan toch: een mens leeft niet van brood alleen, maar ook van alles wat uit de mond van God komt? In de eerste lezing komt het volk van Israël tot dit besef, pas nadat zij in de woestijn door God op de proef was gesteld. En in het evangelie betekent ‘brood eten’: het woord van God gelovig ter harte nemen, in praktijk brengen, alsmede in daden omzetten. Wie dat doet, zal in eeuwigheid leven.

Dit klinkt allemaal heel mooi en positief, … en toch … We kunnen in ons leven, wanneer we niet opletten, in slaap worden gesust. Wanneer we door bijvoorbeeld geruststellende woorden, een schijnveiligheid of een gevoel van comfort kritiekloos, alertloos of onverschillig in het leven staan. We zijn dan mentaal in slaap gebracht, en letten niet meer op dreigingen of veranderingen om ons heen of in de gemeenschap. Uiteraard kan dit ook bij oververmoeidheid.

Om in het leven van iedere dag het woord van God gelovig ter harte te nemen, en met woorden en daden in praktijk te brengen, is een houding van alertheid, aandacht, opmerkzaamheid en oplettendheid uiterst belangrijk. Anders gezegd: we moeten onze ogen en oren continu openhouden. Maar, wanneer deze houding - door een symbolisch slaaptekort - wegvalt, zou deze dan toch - figuurlijk gesproken - door ‘koffie’ en ‘cafeïne’ terug kunnen komen? Amen.

1e lezing: Deut. 8, 2-3. 14b-16a; 2e lezing: 1 Kor. 10, 16-17; evangelie: Johannes 6, 51-58
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd zei Jezus tot de menigte der Joden: ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.’ De Joden geraakten daarover met elkaar in twist en zeiden: ‘Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?’ Jezus sprak daarop tot hen: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Zoals Ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij. Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen, die gegeten hebben en niettemin gestorven zijn: wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.’