Preek van 8 februari 2026

Preek van 8 februari 2026

5zondag door het jaar

Gij zijt het zout van de aarde. Gij zijt het licht van de wereld.' Broeders lastige woorden? Ik denk dat het wel meevalt. Dat wij de smaakmakers zijn van elkaars leven lijkt me voor de hand liggen. Dat die smaak altijd goed is kunnen we ons afvragen. We kunnen elkaar het leven zuur maken of bitter of toch ook evenwichtig en smakelijk. Het is niet zozeer het eten waar het over gaat. Het gaat erom hoe we met elkaar omgaan. Dat gaat ook bij het licht op. We kunnen schijnen maar we hebben ook de kracht de ander in het donker te laten zitten.

Wij hebben de keuze de woorden van Jezus tegen zijn apostelen, en ook tegen ons te beamen en te ontkrachten. Het zijn mooie, maar krachtige beelden die ons meteen raken. Want zout en licht zijn geen luxeartikelen, ze zijn noodzakelijk. Zonder zout wordt voedsel flauw en kan het bederven. Zonder licht tasten we in het duister. En Jezus zegt niet: ‘Gij zoudt het zout en het licht moeten worden,’ maar ‘Gij zijt het zout van de aarde en het licht van de wereld.’ We zijn dat geworden door ons doopsel en we worden ertoe opgeroepen dat werkelijk te beleven. Maar wat houdt dat in dat we het zout en het licht zijn? Beide zijn niet neutraal. Dat is ook zo voor ons geloof en ons christen-zijn. Ook dat is niet neutraal. We kunnen dat niet in een opbergruimte wegmoffelen, want het geeft zin aan ons dagelijks leven: aan ons gezin, op ons werk, in de buurt, in de samenleving. Niet door er prat op te gaan dat we christen zijn, maar door dat echt te zijn. Door eerlijk te zijn, aandacht te hebben voor onze medemensen, hulpvaardig te zijn, geen ruzie te maken. Dus door de Zaligsprekingen toe te passen in ons leven. Zij wijzen ons de weg in ons christen-zijn. Dat gaat ook op voor ons persoonlijk gebed. Doen we dat smaakvol zodat de wereld gaat schijnen of is het smakeloos en grijs, zijn we er bij betrokken of roffelen we het maar af. Als kinderen kenden we een wedstijdje: wie kan het Onze Vader het snelst bidden. Terwijl als we de woorden een voor een bidden en goed uitspreken ze een heel andere betekenis krijgen. Bidden we of lezen we voor?

We zouden het zout van de aarde moeten zijn omdat we niet meedoen aan cynisme, onverschilligheid, roddel, lichtvaardig oordeel. Nee, we komen op voor gerechtigheid, eerlijkheid, goedheid. Zo zetten we ons in om Gods liefde zichtbaar te maken in de wereld. Zo zijn we het licht van de wereld. Niet om onszelf in het licht te zetten, maar om het licht van God, van Jezus uit te stralen. Broeders en zusters, laten we dat vasthouden want het wereldbeeld trekt ons het cynisme in en als er nu iets dodelijk is dan is het cynisme en onverschilligheid. Het maakt de wereld op dit moment kapot. Oekraïne gaf van de week een schatting van het aantal dodelijke slachtoffers vrij voor de eerste keer. Men had het over 55.000 soldaten die omgekomen waren. Rusland doet dat niet maar er zijn schattingen van1,2 miljoen. Mijn eerste reactie over het aantal Oekraïners was: het valt me nog mee. En wat veel Russen! Pas later schaamde ik me diep schaamde ik me diep. Waar was mijn overtuiging: elk dode soldaat of door geweld omgekomen mens is er een teveel. En ik vroeg me af: ben ik dan gewende geraakt aan het leven in een wereld van geweld? Mijn zout heeft veel aan kracht ingeleverd.

Het is zo moeilijk om niet in de valkuil van cynisme en onverschilligheid te vallen. En: hoe gaan we onze kinderen opvoeden in deze wereld? We willen toch geen wereld vol cynici? Vandaag is het wellicht nog moeilijker dan vroeger. We leven immers in een wereld waar het aankomt op prestige en op eigen groot gelijk. Een wereld waarin de democratie afkalft, net zoals het respect voor milieu en natuur. Maar willen wij zout en licht zijn, dan moeten wij ons inzetten om het goede in de samenleving te bewaren en om Gods heerlijke schepping te respecteren. Zo maken we het leven smakelijker, kleurrijker en vreugdevoller.

Hoe we dat moeten doen, hoorden we in de eerste lezing. ‘Deel uw brood met de hongerigen. Neem de dakloze zwervers op in uw huis, kleed de naakten en keer u niet af van uw medemens. Dan zal uw licht stralen als de dageraad.’ zegt God de Heer bij monde van de profeet Jesaja. Het zijn woorden en opdrachten die we kennen, want ze maken deel uit van Jezus’ Blijde Boodschap en ze vloeien voort uit de enige wet die Hij ons heeft nagelaten: ‘Houd bovenal van God, en houd evenveel van je naaste als van jezelf.’ Als we dat doen, zijn we inderdaad het licht van de wereld. Een licht dat niet straalt door mooie woorden, maar door daden van concrete liefde en barmhartigheid.

Zusters en broeders, misschien klinken die woorden in de eerste lezing opdringerig. Moeten we ons echt altijd bezighouden met mensen in nood? Het antwoord is een krachtig ja, want dat doet God ook. En als wij in een relatief veilige wereld waarin we leven ook de schouders latten zakken dan kunnen we het wel vergeten. Go heeft aandacht voor armen, kleinen, hongerigen, mensen die niet meetellen. We zien dat van bij het begin van zijn menswording. Hij komt niet als een machtige en rijke vorst, maar als een machteloos kind van een onbekende, eenvoudige jonge vrouw, wiens echtgenoot een timmerman is. En Jezus’ geboorte wordt niet met trompetgeschal aan de machtigen en de rijken verkondigd, maar door engelengezang meegedeeld aan een groep herders op het veld. Het geeft meteen de weg aan die Jezus zal volgen. ‘Blinden zien, en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd’, zegt Hij, en dat is effectief de weg die Hij gaat. Hij is er voor iedereen: voor tollenaars en zondaars, voor zondige mannen en ontrouwe vrouwen, voor verschoppelingen en uitgestotenen. Echt voor iedereen. Het woord frame wordt tegenwoordig veel gebruikt. Maar het fenomeen is al zo oud als Methusalem. De tiengeboden, de Bergrede, de lessen van Jezus, het scheppingsverhaal, het verhaal van de Barmhartige Samaritaan, het zijn allemaal frames die ons aangeven hoe we dingen kunnen framen en niet wegglijden in cynisme en onverschilligheid. Ons weerwoord: Laten we dus proberen zijn licht over ons te laten schijnen, zodat we zelf het zout van de aarde en het licht van de wereld kunnen worden. Amen.

1e lezing: Jesaja 58, 7-10; 2e lezing: 1 kor. 2, 1-5; evangelie: Matteüs 5, 13-16
De evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: ‘Gij zijt het zout der aarde. Maar als het zout zijn kracht verliest, waar mee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden. Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt! Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn. Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is.’